ECLI:NL:RVS:2026:4319

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
202503738/8/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 8:15 AwbArt. 3 Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om wraking afgewezen wegens ontbreken persoonlijke wrakingsgrond

Verzoeker heeft bij de zitting van 9 juli 2026 een verzoek tot wraking ingediend tegen staatsraad mr. W. den Ouden, die als voorzieningenrechter belast is met de behandeling van zijn zaak. Verzoeker stelde dat er sprake is van een versnipperde rechtsbescherming en een rechtsbeschermingsvacuüm, waardoor zijn recht op toegang tot de rechter en een effectief rechtsmiddel volgens artikel 6 en Pro 13 EVRM wordt geschonden.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 Awb Pro en de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022. De Afdeling oordeelde dat een wrakingsverzoek moet zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de specifieke rechter aantasten. Het verzoek van verzoeker richtte zich echter niet op de persoon van de staatsraad, maar op het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming als geheel.

Daarom is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en buiten behandeling gelaten. De Afdeling verwees naar vaste rechtspraak waarin is bepaald dat een wrakingsgrond niet kan worden ontleend aan algemene kritiek op het rechtsbeschermingssysteem. De beslissing werd uitgesproken op 24 juli 2026.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt buiten behandeling gelaten wegens het ontbreken van een persoonlijke wrakingsgrond.

Uitspraak

202503738/8/A2.
Datum beslissing: 24 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in Hilversum,
verzoeker,
om toepassing van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Procesverloop
Tijdens de zitting op 9 juli 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking in zaak nr. 202503738/7/A2. Met de behandeling van die zaak is staatsraad mr. W. den Ouden als voorzieningenrechter belast.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.       Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechtelijke colleges 2022 kan de wrakingskamer zonder daartoe een zitting te houden, beslissen een verzoek om wraking niet in behandeling te nemen indien het geen betrekking heeft op een met de behandeling van de zaak belast lid van het college.
3.       Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de rechtsbescherming versnipperd is en dat hij op grond van artikel 6 en Pro artikel 13 van Pro het EVRM recht heeft op toegang tot de rechter en een effectief rechtsmiddel. Volgens verzoeker is sprake van een rechtsbeschermingsvacuüm, omdat de Afdeling zich eerder onbevoegd heeft verklaard om van zijn hoger beroep kennis te nemen en de rechtbanken en gerechtshoven volgens hem niet luisteren.
4.       De Afdeling laat het verzoek om wraking buiten behandeling. Het verzoek heeft namelijk niet specifiek betrekking op de persoon van de staatsraad die belast is met de behandeling van de zaak van verzoeker. Het verzoek is, gelet op de formulering, gericht tegen het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming. Het is echter vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de beslissingen van de Afdeling van 12 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:1059 en van 9 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1511) dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de persoon van de staatsraad die de zaak behandelt. Het verzoek kan dan ook niet het stelsel van rechtsbescherming als zodanig betreffen. Daarom is het verzoek van verzoeker geen verzoek om wraking in de zin van de wet en kan dit daarom niet in behandeling worden genomen (vergelijk de uitspraak van 14 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2028).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
laat het verzoek buiten behandeling.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Huizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026
987