ECLI:NL:RVS:2026:4395

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202500804/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 28 WwmArt. 3.1.1. ad b CwmArt. 3.1.3 Cwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering wapenverzamelverlof wegens onzorgvuldige advisering EdB

Appellant vroeg op 5 januari 2021 een verlof aan voor het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden. De korpschef weigerde dit verlof, waarna de minister het administratief beroep ongegrond verklaarde op basis van een negatief advies van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont (EdB), en het ontbreken van een goedgekeurd verzamelplan.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant in eerste aanleg gegrond vanwege onvoldoende inzichtelijkheid en motivering van het EdB-advies. Na nadere informatie van EdB handhaafde de minister het besluit, waarop de rechtbank in tweede aanleg het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelt dat het besluit van 7 juni 2023 onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de wijze waarop EdB het opleidingstraject en de mentorverklaring vormgeeft, die cruciaal zijn voor het advies. Ook is onvoldoende nagegaan of het lidmaatschap van EdB geen rol meer speelt bij het advies, ondanks eerdere uitspraken dat lidmaatschap niet mag worden geëist.

De Afdeling vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en gelast de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van de minister tot weigering van het wapenverzamelverlof wordt vernietigd en de minister wordt gelast een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

202500804/1/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 31 december 2024 in zaak nr. 23/4111 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2021 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] om verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden, afgewezen.
Bij besluit van 8 maart 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen ingestelde administratieve beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Bij besluit van 7 juni 2023 heeft de minister het administratief beroep opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 maart 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.J.W. van den Kieboom en mr. J. den Ouden, zijn verschenen.
Overwegingen
Juridisch kader
1.       Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2.       [appellant] heeft op 5 januari 2021 een aanvraag ingediend bij de korpschef voor een verlof voor het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van verzameldoeleinden. De korpschef heeft deze aanvraag afgewezen. Daarna heeft de minister het administratief beroep ongegrond verklaard, omdat [appellant] niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 3.1.1. ad b, van de Circulaire wapens en munitie (Cwm). De minister heeft aan dat besluit een verklaring van 10 februari 2021 ten grondslag gelegd van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont (EdB). Volgens die verklaring kan zij geen positief advies geven over [appellant]. Daarnaast beschikt [appellant] niet over een goedgekeurd verzamelplan.
2.1.    Bij uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen dit besluit gegrond verklaard, omdat het advies van het bestuur van EdB van 10 februari 2021 niet inzichtelijk is en niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en deugdelijke motivering.
2.2.    Naar aanleiding van de uitspraak heeft de minister bij EdB nadere informatie opgevraagd en op 7 juni 2023 een nieuw besluit genomen. De minister heeft het administratief beroep opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit informatie van het EdB volgt dat het bestuur van EdB geen positief advies heeft gegeven omdat geen van de drie mentoren die [appellant] begeleid hebben bereid was een positieve verklaring over hem af te leggen. Uit de door EdB overgelegde documenten volgt dat [appellant] niet de door EdB aangeboden opleiding heeft afgerond. Een verplicht onderdeel daarvan is het schrijven van een werkstuk. Volgens de begeleiders van [appellant] was hij niet in staat een serieus en wat inhoud betreft betrouwbaar werkstuk te schrijven. De minister acht het redelijk dat EdB het afronden van een opleiding als vereiste stelt voor het kunnen afgeven van een positieve verklaring. Het ontbreken van de mentorverklaring vanwege een werkstuk van onvoldoende kwaliteit en onvoldoende betrouwbaarheid kon in het geval van [appellant] redelijkerwijs in de weg staan aan een positief advies door het bestuur van EdB. Nu een positieve verklaring van het bestuur ontbreekt en het verzamelplan niet is goedgekeurd door het bestuur van EdB, is er geen redelijk belang vast te stellen dat nodig is voor een verzamelverlof, aldus de minister.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het nieuwe besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat EdB heeft verklaard dat het, teneinde tot een advies te komen, eist van een kandidaat dat hij een cursus volgt en door middel van een werkstuk aantoont dat hij voldoet aan de eisen uit de Cwm. Met de verklaring van de mentor kan worden aangetoond dat de kandidaat een serieuze deelnemer was en een serieus en betrouwbaar werkstuk kon schrijven over het door hem uitgevoerde onderzoek. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister, gelet op de door EdB gegeven toelichting op de gevolgde procedure, de informatie die EdB van de mentoren heeft ontvangen met betrekking tot de begeleiding van [appellant] en de inspanningen die van de zijde van de mentoren zijn verricht om [appellant] zogenoemd op voldoende vlieghoogte te brengen, op basis van het ontbreken van een positief advies van EdB de beslissing van de korpschef tot weigering van het gevraagde verlof redelijkerwijs heeft kunnen handhaven. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het standpunt van [appellant] dat de negatieve beoordeling terug te voeren zou zijn op onbekendheid bij EdB met dyslexie, niet kan worden gevolgd. Uit de verslagen van de mentoren blijkt dat spel- en grammaticafouten wel zijn opgemerkt, maar dat deze onvolkomenheden in de werkstukken geen doorslaggevende rol in de beoordeling van EdB hebben gespeeld.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de minister met het nieuwe besluit de weigering van het gevraagde verlof heeft kunnen handhaven. Volgens [appellant] heeft de minister het verlof geweigerd op basis van een ondeugdelijk advies van EdB. De minister heeft ook niet gecontroleerd of dit advies redelijk is. Daarnaast blijft de minister eisen dat hij lid moet zijn van een verzamelvereniging, terwijl uit de zogenoemde Bunkerarresten volgt dat dit niet meer aan hem mag worden tegengeworpen. Bovendien lukt het hem niet om lid te worden van een door de minister erkende vereniging. Hij vindt het dan ook niet terecht dat een dergelijke vereniging een oordeel kan geven over zijn geschiktheid als wapenverzamelaar.
Verder voert [appellant] aan dat de minister EdB ten onrechte volgt in de eis dat het verzamelplan schriftelijk moet zijn opgesteld. Dit volgt niet uit de regelgeving of uit de statuten van het EdB. [appellant] heeft dyslexie, waardoor zijn werkstuk als onvoldoende is beoordeeld en hij geen mentorverklaring heeft gekregen. Volgens [appellant] had er een alternatieve kennistoets mogelijk moeten worden gemaakt. Dat heeft de rechtbank miskend. [appellant] heeft in hoger beroep een verklaring overgelegd van ScriptieSupport over zijn bij EdB ingeleverde verzamelplan/werkstuk.
5.       De Afdeling komt tot het oordeel dat de rechtbank het besluit van 7 juni 2023 ten onrechte in stand heeft gelaten. Volgens de Afdeling is het besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en de vergewisplicht die volgen uit de artikelen 3:2 en 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling licht dit als volgt toe.
5.1.    Op grond van artikel 28, tweede lid, onder a, van de Wet wapens en munitie (Wwm) kan een verlof voor het voorhanden hebben van een wapen worden verleend indien een redelijk belang dat vordert. Ingevolge artikel 3.1.1. ad. b, van de Cwm, kan het houden van een verzameling worden aangemerkt als een redelijk belang indien het gaat om verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele, of technische ontwikkeling van vuurwapens. Daarvoor dient volgens de Cwm onder meer te zijn voldaan aan het vereiste dat de aanvrager een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies dient te overleggen van het bestuur van een erkende vereniging van wapenverzamelaars. Ook moet de aanvrager een verzamelplan overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 van de Cwm gestelde eisen en waarop het eerdergenoemde advies is gebaseerd.
Volgens de Cwm dient ook te zijn voldaan aan het vereiste dat de aanvrager lid is van een door de minister erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals het EdB. Sinds de uitspraken van de Afdeling van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2080, onder 3, en van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1456, onder 4.1, wordt dit vereiste niet langer meer aan een aanvrager tegengeworpen. Het in artikel 11 van Pro het EVRM vervatte recht op vrijheid van vereniging omvat namelijk ook het recht om zich niet te hoeven verenigen.
5.2.    De minister heeft in de schriftelijke uiteenzetting en op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat bij de vaststelling van het beleid is besloten om aan het bestuur van EdB een belangrijke rol en verantwoordelijkheid toe te kennen bij de beoordeling of er sprake is van een redelijk belang, omdat de minister zelf niet beschikt over de specialistische kennis en kunde om een dergelijk oordeel te geven. Dit heeft ertoe geleid dat binnen EdB een adviescommissie is opgericht die aan de hand van het verzamelplan het bestuur adviseert over het advies als bedoeld in 3.1.1. ad. b, onder d, van de Cwm.
In het kader van de voorbereiding van het nieuwe besluit van 7 juni 2023 heeft de minister informatie opgevraagd bij EdB over de wijze van totstandkoming van een dergelijk advies en de beoordeling van een verzamelplan. Uit deze toelichting van EdB van 11 april 2023, waarnaar de minister verwijst, volgt onder meer dat een persoon alleen lid kan worden van EdB als hij een verzamelverlof heeft. Een aspirant-lid van EdB moet daartoe een verzamelplan maken waarvan de elementen moeten voldoen aan de eisen van artikel 3.1.3 van de Cwm. Als het verzamelplan daaraan voldoet, keurt de adviescommissie van het EdB het plan goed. Een van de vereisten voor goedkeuring van het plan is dat er een verklaring wordt overgelegd van een mentor die de aanvrager heeft begeleid in het kader van een door EdB ontwikkeld begeleidend opleidingstraject. Een onderdeel van dat opleidingstraject is het schrijven van een werkstuk (ook wel scriptie genoemd). In de verklaring verklaart een mentor dat de betrokken persoon een serieuze deelnemer aan de opleiding voor aspirant-leden was, goed bij EdB past, en een serieus en betrouwbaar werkstuk schreef over het uitgevoerde onderzoek. Deze mentorverklaring is een aanbeveling aan het bestuur van EdB voor het omzetten van het aspirant lidmaatschap naar een volledig lidmaatschap van de betrokken persoon. Met een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies van het bestuur verklaart het bestuur van EdB aan de korpschef op basis van het verzamelplan en de verklaring van de mentor die het aspirant-lid heeft begeleid dat EdB de persoon als serieus en deskundig verzamelaar ziet.
5.3.    Op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb moet de minister bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaren over de relevante feiten en de af te wegen belangen. Op grond van artikel 3:9 van Pro de Awb dient de minister, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De Afdeling stelt vast dat het in 3.1.1. ad. b, onder d, van de Cwm bedoelde advies een deskundigenadvies is als bedoeld in artikel 3:9 van Pro de Awb.
5.4.    Aan de aanvrager van een wapenverlof kan niet meer worden tegengeworpen dat hij geen lid is van een verzamelvereniging. Dat volgt uit de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling van 20 november 2013, onder 3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, onder 4.1, volgt dat de minister erop moet toezien dat een vereniging de voorwaarde van lidmaatschap niet toepast bij de totstandkoming van een advies en de goedkeuring van een verzamelplan.
5.5.    De Afdeling is van oordeel dat de minister zich er niet voldoende van heeft vergewist dat het onderzoek van EdB dat ten grondslag ligt aan het besluit van 7 juni 2023 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De minister heeft in zijn besluitvorming over de aanvraag van [appellant] weliswaar toegelicht dat hij uitlatingen van EdB die zien op het lidmaatschap buiten beschouwing laat, maar dat acht de Afdeling onvoldoende om na te gaan of het kunnen verkrijgen van een lidmaatschap geen rol meer heeft gespeeld bij de beoordeling. De minister behoorde ook los van die uitlatingen na te gaan of het verkrijgen van een lidmaatschap direct of indirect een rol heeft gespeeld bij die beoordeling. Daarbij acht de Afdeling van belang dat uit de toelichting van EdB van 11 april 2023 volgt dat de gehele opleiding van een aanvrager - die nodig is om een advies van EdB en een mentorverklaring te krijgen - wordt gevolgd in het kader van een aspirant-lidmaatschap. De mentorverklaring zoals die wordt gehanteerd door EdB heeft ook hoofdzakelijk betrekking op de geschiktheid van een aanvrager als lid van de vereniging. Hieruit maakt de Afdeling op dat de beoordeling door EdB zodanig is verweven met een route naar het (aspirant-)lidmaatschap, dat niet kan worden aangenomen dat de minister er in voldoende mate op heeft toegezien dat het vereiste van een lidmaatschap geen rol meer heeft gespeeld bij het opstellen van het advies van het bestuur van EdB over het wapenverlof.
5.6.    De Afdeling is nog om een tweede reden van oordeel dat het besluit van de minister onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3107, onder 18.1. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dit in voldoende mate heeft gedaan bij de door EdB gevoerde procedure voor het advies over een wapenverlof en het verzamelplan. Het verzamelverlof kan slechts worden verleend na een positief advies van het bestuur van EdB. Dit advies kan pas worden gegeven na het overleggen van een verzamelplan. Een verplicht onderdeel van het verzamelplan is een positieve mentorverklaring naar aanleiding van het door de aanvrager gevolgde opleidingstraject. In de Cwm zijn, afgezien van de vereisten voor een verzamelplan, geen inhoudelijke vereisten of kaders opgenomen die een nadere invulling geven aan dit door EdB gehanteerde opleidingstraject. Dit opleidingstraject is een cruciaal onderdeel voor het verkrijgen van een wapenverlof, nu op basis daarvan de nodige mentorverklaring wordt gegeven. Uit de door EdB gegeven toelichting en het verhandelde op de zitting bij de Afdeling volgt dat de minister helemaal geen inzicht had in de manier waarop EdB dit opleidingstraject precies invult en welke beoordelingseisen het stelt. Aldus wordt een relevant onderdeel in het proces van het verkrijgen van een wapenverlof gereguleerd door de daartoe gestelde eisen van een privaatrechtelijke rechtspersoon, het EdB. Vergelijk de uitspraak van 20 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2080, onder 3.3. Nu de minister geen normen heeft gesteld aan dit opleidingstraject en ook niet anderszins toezicht houdt op de totstandkoming van een mentorverklaring en het advies van het bestuur, heeft hij naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs ook niet aan zijn vergewisplicht kunnen voldoen. Zonder het inzicht in dit opleidingstraject is het immers ook niet mogelijk om na te gaan of het bestuurlijke advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
6.       Het betoog slaagt.
Slotsom
7.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 juni 2023 vernietigen. De minister moet een nieuw besluit op het administratief beroep nemen met inachtneming deze uitspraak.
8.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 31 december 2024 in zaak nr. 23/4111;
III.      verklaart het beroep in die zaak gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van de minister van Justitie en Veiligheid van 7 juni 2023, kenmerk: WBM 2196;
V.       veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.894,65, waarvan € 1.866,00 is toe te rekenen aan in beroep door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.      gelast dat de minister van Justitie en Veiligheid aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 473,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
314-1166
Bijlage
Juridisch kader
Wet Wapens en Munitie
Artikel 28
1. Verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie wordt, uitsluitend voor wapens en munitie behorend tot categorie III, verleend door de korpschef.
2. Een verlof wordt verleend indien:
a. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
b. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
c. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.
Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen sprake is van een redelijk belang, als bedoeld in onderdeel a.
[…]
Circulaire Wapens en Munitie 2019
3.1.1. Categorie III vuurwapens
Met betrekking tot het verzamelen van vuurwapens die niet onder de vrijstellingsregeling van artikel 18 van Pro de Regeling wapens en munitie vallen, geldt het volgende: Het houden van een verzameling vuurwapens kan worden aangemerkt als een redelijk belang dat de verlening van een verzamelverlof rechtvaardigt, indien het gaat om:
a. verzamelingen van algemeen wetenschappelijk of historisch belang, zoals die worden gehouden door musea en soortgelijke instellingen (voor de inhoud van het begrip museum wordt verwezen naar onderdeel B 3.6.); en
b. verzamelingen gehouden door individuele wapenverzamelaars, die in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens. Slechts personen die lid zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’, komen hiervoor in aanmerking.
[…]
Ad. b.
Om als individuele wapenverzamelaar in aanmerking te komen voor de verlening van een verlof tot het voorhanden hebben van vuurwapens van categorie III voor verzameldoeleinden dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
a.       de leeftijd van de aanvrager is tenminste 18 jaar;
b. ten aanzien van de aanvrager mag geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan (zie B 1.);
c. de aanvrager dient lid te zijn van een door de Minister van Justitie en Veiligheid erkende vereniging van wapenverzamelaars, zoals de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’;
d. de aanvrager dient een positief luidend (schriftelijk en ondertekend) advies te overleggen van het bestuur van de erkende vereniging van wapenverzamelaars waarvan de aanvrager lid is;
e. de aanvrager dient, bij een eerste aanvraag dan wel bij een wijziging in het verzamelgebied, een verzamelplan te overleggen dat voldoet aan de in onderdeel B 3.1.3 gestelde eisen en waarop het bij ‘d’ genoemde advies is gebaseerd;
3.1.3. Verzamelplan
Het houden van een verzameling van vuurwapens wordt slechts toegestaan aan individuele wapenverzamelaars indien zij in georganiseerd verband een serieuze studie maken van de historische, culturele of technische ontwikkeling van vuurwapens, die gericht is op het verkrijgen en vastleggen van informatie die relevant is voor een bredere kring van personen (zoals andere wapendeskundigen, overheidsfunctionarissen, wetenschappers, historici e.d.). Daarnaast kan ook het behouden (conserveren) van bijzondere wapen(s) (collecties) voor het nageslacht bijdragen aan de conclusie dat een individuele verzamelaar een redelijk belang heeft voor de verkrijging van een daartoe strekkend verlof en/of ontheffing.
Omdat in de praktijk gebleken is dat het erg lastig is om te beoordelen of er sprake is van een redelijk belang voor de verlening van een verlof en/of ontheffing ten behoeve van verzameldoeleinden is in overleg met de ‘Nederlandse Vereniging ter Bevordering en Instandhouding van Wapenverzamelingen, Edouard de Beaumont’ besloten om op dit punt een belangrijker rol en verantwoordelijkheid, toe te kennen aan het bestuur van deze vereniging. Dit heeft onder meer geleid tot de oprichting van een adviescommissie die aan de hand van een door het aspirant-lid in te dienen verzamelplan het bestuur adviseert over het al dan niet uitbrengen van een positief advies.
Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een redelijk belang dient de aanvrager een verzamelplan te overleggen waarin minimaal aan de volgende elementen (uitvoerig) aandacht moet zijn besteed:
a. Het onderwerp, het verzamelgebied c.q. de specialisatie van de verzameling;
b. Het belang van de beoogde verzameling;
c. In hoeverre de beoogde verzameling bijdraagt aan de vermeerdering van de totale kennis in Nederland op het gebied van wapens;
d. Hoe de verzameling opgebouwd zal worden;
e. Of binnen de specialisatie ook wapens van categorie II vallen en zo ja, bij benadering hoeveel;
f. Welke activiteiten de aanvrager op het gebied van zijn specialisatie heeft ontplooid (indien mogelijk met bijgevoegde kopieën van eventueel geschreven tekstmateriaal);
g. Drie referenties, waarvan tenminste één van binnen en één van buiten de vereniging;
h. Een verklaring van de mentor die de aanvrager heeft begeleid;
i. De wijze waarop de wapens opgeslagen zullen worden en hoe de beveiliging is geregeld. De bergplaats of bergruimte dient te voldoen aan hetgeen gesteld is in onderdeel B 9 of aan de specifieke beveiligingseisen die eventueel zijn overeengekomen met de korpschef.