ECLI:NL:RVS:2026:4400

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202502507/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 Huisvestingswet 2014Art. 14 Huisvestingswet 2014Artikel 2.10.5 Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens niet voldoen aan vierjarige inschrijvingseis in Amsterdam

Appellant vroeg op 20 september 2023 een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, die op 20 november 2023 werd afgewezen wegens het niet voldoen aan de eis van minimaal vier jaar onafgebroken inschrijving in de BRP van Amsterdam. Appellant was tussen 13 juni 2019 en 27 mei 2020 niet ingeschreven, waardoor hij niet voldeed aan deze bindingseis.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het college terecht geen uitzondering maakte op de dwingende bepalingen van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Ook de door appellant aangevoerde medische omstandigheden en de brief van zijn huisarts waren onvoldoende om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen.

In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak. De Afdeling benadrukte dat de BRP-inschrijving de maatstaf is voor de bindingseis en dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat er geen sprake was van een acute medische noodsituatie.

De Afdeling wees het hoger beroep af en liet de uitspraak van de rechtbank in stand. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens niet voldoen aan de vierjarige onafgebroken inschrijvingseis in de BRP.

Uitspraak

202502507/1/A2.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2025 in zaak nr. 24/2976 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2023 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 17 april 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1750, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.A. Verhoeven, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door F.M.E. Schuttenhelm, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft op 20 september 2023 een urgentieverklaring aangevraagd. Hij is in 2010 gescheiden van zijn ex-partner. Na de scheiding is hun woning aan zijn ex-partner toegewezen. Samen met zijn ex-partner heeft hij drie kinderen. De kinderen wonen bij zijn ex-partner. [appellant] heeft diabetes. In 2018 heeft hij een beroerte gehad. Verder is hij bij De Waag onder behandeling geweest voor psychische klachten.
2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Besluitvorming
3.       Het college heeft de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen, omdat hij niet voldoet aan de eis dat hij voorafgaand aan de aanvraag minimaal vier jaar onafgebroken in Amsterdam heeft gewoond. In de periode 13 juni 2019 tot en met 27 mei 2020 stond [appellant] namelijk niet geregistreerd in de basisregistratie personen (BRP) van Amsterdam.
4.       Het college is in het besluit op bezwaar bij de afwijzing gebleven. Het college heeft geen aanleiding gezien om toepassing aan de hardheidsclausule te geven.
Uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring mocht afwijzen. Op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv) moet een aanvrager van een urgentieverklaring voorafgaand aan de aanvraag minimaal vier jaar onafgebroken in de BRP ingeschreven hebben gestaan. Op het moment van de aanvraag op 20 september 2023 stond [appellant] niet minimaal vier jaar onafgebroken in Amsterdam ingeschreven in de BRP. Gelet op de dwingende bepalingen hierover in de Hvv, bestaat er in beginsel geen ruimte om de door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden in de beoordeling mee te nemen. De verwijzing van [appellant] naar artikel 14 van Pro de Huisvestingswet 2014 maakt dit niet anders. Deze bepaling gaat namelijk niet over urgentieverklaringen, maar over het verkrijgen van een huisvestingsvergunning en de voorrang die daarbij kan worden gegeven aan bepaalde woningzoekenden met economische of maatschappelijke binding. Op grond van het derde lid van deze bepaling kan voorrang worden gegeven aan in de Hvv aangewezen vitale beroepsgroepen, zoals bijvoorbeeld politieagenten. [appellant] hoort niet bij deze doelgroep. Het college heeft niet op grond van de hardheidsclausule urgentie hoeven verlenen. Ook heeft het college geen aanleiding hoeven zien om de GGD om advies te vragen. In het geval van [appellant] zijn er geen dusdanig bijzondere omstandigheden waardoor zijn belang op huisvesting voor moet gaan op het algemene belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling.
Hoger beroep en oordeel van de Afdeling
Bindingseis
6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan hem kan worden tegengeworpen dat hij niet vier jaar onafgebroken in de BRP heeft ingeschreven gestaan. De wetgever heeft met het begrip binding in de Huisvestingswet 2014 niet beoogd dat alleen maar wordt getoetst of iemand in de BRP staat ingeschreven. De BRP weerspiegelt namelijk niet altijd de feitelijke woonsituatie. In dit verband stelt [appellant] dat hij al tien jaar in Amsterdam woont. Na zijn verhuizing naar de woning aan het [locatie] dacht hij dat de verhuurder hem zou inschrijven. Ook had het college niet alleen naar de BRP mogen kijken, maar ook andere bewijsstukken moeten meewegen, zoals de door hem overgelegde bankafschriften, aldus [appellant].
6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2010, legt de gemeenteraad op grond van artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 de criteria vast volgens welke de woningzoekenden worden ingedeeld in urgentiecategorieën. Het college heeft in artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder i, van de Hvv dwingend bepaald dat een aanvraag om een urgentieverklaring wordt geweigerd als de aanvrager blijkens diens inschrijving in de BRP niet ten minste vier jaar onafgebroken heeft gewoond in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd. Vaststaat dat [appellant] op het moment van de aanvraag niet vier jaar onafgebroken in de BRP ingeschreven heeft gestaan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat niet is voldaan aan de bindingseis. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.
6.2.    Het college heeft op zitting nader toegelicht dat en waarom het een uitzondering maakt op deze dwingende bepaling in de Hvv in de situatie dat iemand voor een korte periode van maximaal drie maanden niet onafgebroken in de BRP stond ingeschreven en diegene kan aantonen dat hij in deze periode in Amsterdam heeft gewoond. Het college maakt deze uitzondering omdat het college het onredelijk vindt om korte onderbrekingen van inschrijving in de BRP tegen te werpen. Het is namelijk niet altijd mogelijk om na een verhuizing direct op een ander adres in te schrijven. De hiervoor beschreven situatie is in het geval van [appellant] niet aan de orde. Niet in geschil is dat hij ongeveer elf maanden, tussen 23 juni 2019 tot 27 mei 2020, niet in de BRP heeft ingeschreven gestaan. Dat betekent dat hij van de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag, te weten vanaf 20 september 2019, ruim acht maanden niet in de BRP heeft ingeschreven gestaan. De hiervoor beschreven gedragslijn van het college kan [appellant] alleen al daarom niet baten. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat [appellant] zelf verantwoordelijk is om zich in de BRP in te schrijven. Dat heeft hij nagelaten. [appellant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de toepassing van genoemde dwingende bepaling uit de Hvv voor hem zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven (zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190). Tegen die achtergrond komt geen betekenis toe aan de door [appellant] overgelegde bankafschriften.
6.3.    Het betoog slaagt niet.
Hardheidsclausule
7.       Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college op grond van de hardheidsclausule een urgentieverklaring had moeten verlenen. Het college had de GGD om medisch advies moeten vragen. In dit verband wijst [appellant] op een brief van zijn huisarts van 9 maart 2026.
7.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat er geen aanleiding was om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Ook uit de in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 9 maart 2026 blijkt niet van een uitzonderlijke noodsituatie of een acuut levensbedreigend medisch probleem waarvoor een urgentieverklaring nodig is. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om medisch advies te vragen aan de GGD.
7.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1067
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
Artikel 2.10.5
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
[…]
i. de aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden, die in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisregistratie personen niet ten minste vier jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was, tenzij één of meerder personen behorend tot het huishouden van aanvrager minderjarige kinderen zijn en de aanvrager en zijn of haar huishouden vanwege een relatiebreuk tussen aanvrager en diens partner zijn verhuisd naar een inwoonadres buiten Amsterdam en binnen een half jaar na vertrek uit Amsterdam een urgentieverklaring heeft aangevraagd;
[…].