ECLI:NL:RVS:2026:4416

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202501126/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van rechtbankbesluit over evenredige sluiting loods wegens drugsvondst

De burgemeester van Zeewolde sloot op 21 juli 2023 een loods voor zes maanden na een bestuurlijke rapportage over de vondst van 235 kilo cocaïne en een bedreiging met een vuurwapen. De loods werd gebruikt door [bedrijf] voor opslag van marktkramen. Na bezwaar werd de sluiting drie dagen eerder opgeheven. De rechtbank oordeelde dat de sluiting bevoegd en evenredig was, maar de duur van zes maanden niet gerechtvaardigd was.

In hoger beroep betoogde [bedrijf] dat de sluiting niet geschikt, noodzakelijk of evenwichtig was, mede vanwege het ontbreken van ernstige verstoring van de openbare orde en de financiële gevolgen. De Afdeling bestuursrechtspraak volgde de rechtbank en oordeelde dat de sluiting op het moment van het besluit een geschikt en noodzakelijk middel was gezien de omvang van de drugsvondst en de bedreiging. De duur van zes maanden was echter te lang, vooral omdat na 22 december 2023 geen nieuwe incidenten waren gemeld.

De Afdeling verwierp het verweer dat [bedrijf] niets te verwijten viel, omdat hij de sleutel aan een onbekende had gegeven. Ook het argument dat de sluiting disproportioneel was vanwege financiële gevolgen faalde, mede omdat het pand een loods betrof zonder woonfunctie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat de sluiting van de loods evenredig was maar acht de duur van zes maanden te lang en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202501126/1/A3.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend onder de naam [naam bedrijf], gevestigd in Eemnes,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 16 januari 2025 in zaak nr. 24/1869 in het geding tussen:
[bedrijf]
en
de burgemeester van Zeewolde.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2023 heeft de burgemeester de loods aan de [locatie] in Zeewolde voor zes maanden gesloten.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de burgemeester het door [bedrijf] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de duur van de sluiting met drie dagen verminderd.
Bij uitspraak van 16 januari 2025 heeft de rechtbank het door [bedrijf] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2024 vernietigd, het besluit van 21 juli 2023 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [bedrijf] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Schimmel, advocaat in Bussum, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.F. Walstra en mr. I.E. van Duuren-de Jonge, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [bedrijf] verricht (ver)bouwwerkzaamheden en verhuurt marktkramen voor dagmarkten, weekmarkten en kerstmarkten. [bedrijf] huurt een loods gelegen aan de [locatie] in Zeewolde, die gebruikt wordt als opslag voor de marktkramen. De burgemeester heeft de loods met spoed voor de duur van 6 maanden gesloten omdat hij op 20 juli 2023 een bestuurlijke rapportage heeft ontvangen van de politie waarin staat dat op 11 juli 2023 in totaal 235 kilo cocaïne is aangetroffen in de loods en in een vrachtwagen en dat de eigenaar van de loods met een vuurwapen is bedreigd. In het besluit op bezwaar van 17 januari 2024 heeft de burgemeester de sluiting drie dagen eerder opgeheven. Er waren sinds het besluit van 21 juli 2023 geen nieuwe meldingen of verdachte situaties die sluiting van de loods ten tijde van het besluit op bezwaar nog rechtvaardigde.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was de loods te sluiten en deze sluiting evenredig was, maar niet voor de duur van zes maanden. Gelet op de ernst en omvang van de overtreding was de sluiting geschikt en noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en voor het herstel van de openbare orde. Aannemelijk is dat de drugs bestemd waren voor drugshandel en de loods een rol vervulde binnen de keten van georganiseerde drugshandel. Ook was de sluiting evenwichtig. [bedrijf] heeft nagelaten voldoende toezicht te houden op de loods en de gevolgen van de sluiting voor [bedrijf] wegen minder zwaar dan de belangen die gediend zijn met de sluiting. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat er na 22 december 2023 onvoldoende reden was de sluiting te laten voortduren, omdat de burgemeester op die datum een aanvullende bestuurlijke rapportage heeft ontvangen waarin staat dat de strafzaak tegen [bedrijf] is geseponeerd, de politie geen weet heeft van actuele bekendheid van de loods in het criminele circuit en er sinds de sluiting geen meldingen of situaties bekend zijn over de [locatie].
Hoger beroep
3.       [bedrijf] betoogt dat de sluiting niet een geschikt middel was om het beoogde doel te bereiken. Ook bestond er geen noodzaak de loods te sluiten, omdat de openbare orde niet ernstig was verstoord. Verder betoogt [bedrijf] dat de sluiting niet evenwichtig was, omdat hem geen verwijt van de overtreding valt te maken en hij in financiële problemen is gekomen.
3.1.    In haar overzichtsuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar de overzichtsuitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
3.2.    Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd was de loods te sluiten. Deze zaak gaat over de vraag of de sluiting evenredig was. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de sluiting van de loods evenredig was, maar niet voor de duur van zes maanden. Dit betekent dat het hoger beroep ongegrond is. Hieronder legt de Afdeling uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3.3.    Op 11 juli 2023 is in totaal 235 kilo cocaïne aangetroffen in de loods en in een vrachtwagen bij de loods en is de eigenaar van de loods met een vuurwapen bedreigd. Op het moment van het sluitingsbesluit van 21 juli 2023 was sluiting van de loods een geschikt en noodzakelijk middel om de onrechtmatige situatie te beëindigen, herhaling van de overtreding te voorkomen en de negatieve effecten van de drugsvondst en doodsbedreiging op de openbare orde tegen te gaan. Een drugsvondst van 235 kilo cocaïne verstoort de openbare orde in ernstige mate. Dat, zoals [bedrijf] stelt, (slechts) 50 van de 235 kilo in de loods lag en omwonenden zich niet onveilig hebben gevoeld, maakt dit niet anders.
Door de omvang van de drugsvondst is aannemelijk dat de loods bekend was geworden in het drugscircuit en was sluiting van de loods noodzakelijk om de loods te onttrekken aan de keten van drugshandel. Gelet op de omvang van de drugsvondst mocht de burgemeester van minder belang achten dat de loods niet eerder betrokken was geweest bij drugsgerelateerde criminaliteit. Daarnaast is de eigenaar van de loods op de dag van de drugsvondst met een vuurwapen bedreigd, wat betekent dat gewelddadige represailles niet ondenkbaar waren. Gelet hierop mocht de burgemeester besluiten dat een minder ingrijpend middel dan sluiting niet zou volstaan. Ook is onder deze omstandigheden begrijpelijk dat de burgemeester na het besluit van 21 juli 2023 heeft gewacht met opheffing van de sluiting totdat hij meer informatie ontving van de politie over de situatie bij de loods en mogelijke dreigingen. De Afdeling volgt het betoog van [bedrijf] dus niet dat al voor ontvangst van nadere informatie van de politie de sluiting niet langer een geschikt of noodzakelijk middel was. De burgemeester heeft op 22 december 2023 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen waarin is vermeld dat geen reden meer bestaat de loods gesloten te houden omdat geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat op het moment dat de burgemeester deze informatie ontving van de politie geen noodzaak meer bestond de loods gesloten te houden.
Verder volgt de Afdeling het standpunt van [bedrijf] niet dat het gebeurde hem niet kan worden verweten. Het is hem te verwijten dat hij de sleutel van de loods aan een voor hem onbekend persoon heeft gegeven. Dat deze persoon de vader van een werknemer is die hij vertrouwt, doet hier niet aan af. De Afdeling begrijpt dat de financiële gevolgen van de sluiting van de loods aanzienlijk zijn voor [bedrijf]. Maar de burgemeester mocht, gelet op de omvang van de drugsvondst en de doodsbedreiging van de eigenaar van de loods, de financiële gevolgen voor [bedrijf] van ondergeschikt belang achten. Hierbij vindt de Afdeling ook van belang dat het gesloten pand een loods en niet een woning is. De sluiting heeft niet tot gevolg dat personen huisvesting verliezen en evenmin is sprake van een bijzondere binding met het pand. Het betoog slaagt niet.
3.4.    De grond die [bedrijf] in hoger beroep heeft aangevoerd over het ontbreken van de mogelijkheid een zienswijze te geven bij het besluit van 21 juli 2023, is zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. [bedrijf] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling daarvan in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Slotsom
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
5.       De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
1013