ECLI:NL:RVS:2026:4425
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens drugsdeal op openbare weg in Leeuwarden
De burgemeester van Leeuwarden legde op 30 april 2024 aan appellant een last onder dwangsom op wegens het handelen in drugs op straat, gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie. De last is opgelegd op grond van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden, dat het verboden maakt zich op de openbare weg te begeven met het kennelijke doel om verdovende middelen te verhandelen.
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 30 oktober 2025 dat de burgemeester terecht aannam dat appellant de APV had overtreden, mede gelet op waarnemingen van de Criminele Interventie Groep en de vondst van vermoedelijke harddrugs bij aanhouding. De rechtbank vond het niet relevant dat de drugs niet getest waren, omdat het kennelijke doel al voldoende is.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rapportage onvoldoende was en dat de drugs bestemd waren voor privégebruik, en betwistte de hoogte van de dwangsom. De Raad van State oordeelde dat de concrete omstandigheden en getuigenverklaringen voldoende aannemelijk maken dat appellant handelde met het kennelijke doel drugs te verhandelen. De hoogte van de dwangsom werd als proportioneel en passend beoordeeld, mede gelet op de ernst van de overlast door drugshandel op straat.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de last onder dwangsom wegens drugsdeal en verklaart het hoger beroep ongegrond.