ECLI:NL:RVS:2026:4430

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202305502/1/R1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 3:46 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering omgevingsvergunning voor woongebouwen wegens strijd bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad weigerde op 13 juli 2022 een omgevingsvergunning voor de bouw van drie woongebouwen met 22 appartementen op een terrein aan de Noorderhoofdstraat in Krommenie. Het college stelde dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan "Krommenie" omdat meerdere hoofdgebouwen op één perceel niet zijn toegestaan. De rechtbank vernietigde dit besluit deels en gaf het college de gelegenheid het gebrek te herstellen, waarna het college een nadere motivering gaf.

De rechtbank oordeelde vervolgens dat het bouwplan inderdaad in strijd was met het bestemmingsplan, maar dat het college onvoldoende had beoordeeld of appellant recht had op schadevergoeding wegens gewekt vertrouwen. Zowel het college als appellant stelden hoger beroep in tegen de uitspraken van de rechtbank.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college terecht aansluiting zocht bij de feitelijke situatie van het terrein voor de uitleg van "perceel" en dat het bouwplan meerdere hoofdgebouwen op één perceel betreft, wat strijdig is met het bestemmingsplan. Het college heeft geen gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de vergunning niet zou worden geweigerd. Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, dat van appellant ongegrond, en de eerdere uitspraken van de rechtbank worden vernietigd. Het besluit van het college van 22 januari 2026 over schadevergoeding wordt eveneens vernietigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, dat van appellant ongegrond, en het besluit van het college wordt hersteld.

Uitspraak

202305502/1/R1.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
2. [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en ’t Atelier Saendelft B.V. ([appellant sub 2A]), wonend dan wel gevestigd in Zaanstad,
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank Noord­-Holland van 4 januari 2023 en 17 juli 2023 in zaak nr. 22/4191 in het geding tussen:
[appellant sub 2A]
en
het college
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college geweigerd aan [appellant sub 2A] een omgevingsvergunning te verlenen voor onder meer het realiseren van drie woongebouwen met in totaal 22 appartementen en een fietsenberging op het terrein aan de Noorderhoofdstraat 37a-45 in Krommenie.
Bij tussenuitspraak van 4 januari 2023 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.
Op 14 februari 2023 heeft het college de motivering van het besluit van 13 juli 2022 aangevuld.
Bij uitspraak van 17 juli 2023 (de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant sub 2A] ingestelde beroep tegen het besluit van 13 juli 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, behalve voor zover daarbij niet is beslist over de vergoeding van eventuele schade.
Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak hebben het college en [appellant sub 2A] hoger beroep ingesteld.
Het college en [appellant sub 2A] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 22 januari 2026 heeft het college beslist over de vergoeding van schade.
[appellant sub 2A] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 22 januari 2026.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Kliphuis, advocaat in Hoofddorp, en F. Oussouma, en [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. W.J.M. Loomans, advocaat in Hoorn (NH), zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 31 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       [appellant sub 2A] is eigenaar van het terrein dat bestaat uit de achterterreinen van de Noorderhoofdstraat 37a-45. Het terrein bestaat uit drie kadastrale percelen. [appellant sub 2A] wil op het terrein appartementen voor ouderen realiseren. De bestaande opstallen op het terrein moeten daarvoor worden gesloopt. Het bouwplan voorziet aan de watergang de Durgsloot in twee woongebouwen met in totaal twintig appartementen. Verder heeft het bouwplan betrekking op een nieuw woongebouw aan de weg, waarin twee appartementen zijn voorzien.
Ten tijde van het besluit gold ter plaatse het bestemmingsplan "Krommenie". Het terrein heeft de bestemming "Gemengd". Op het terrein is op grond van artikel 10, aanhef en onder f, van de planregels van het bestemmingsplan de functie "woningen" toegestaan. Volgens het college is het bouwplan in strijd met de planregels, omdat het betrekking heeft op verschillende hoofdgebouwen op één perceel.  Het college is niet bereid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo af te wijken van het bestemmingsplan.
- de tussenuitspraak van de rechtbank
2.1.    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor de uitleg van het begrip "perceel" in de planregels de feitelijke actuele situatie van belang is. Volgens de rechtbank had het college aansluiting moeten zoeken bij de betekenis die daaraan in het normaal spraakgebruik wordt gegeven, te weten kadastraal perceel. Het bestemmingsplan maakt volgens de rechtbank in dat geval op elk kadastraal perceel een hoofdgebouw mogelijk. Volgens de rechtbank had het college geen juist beeld van de omvang van de strijd met het bestemmingplan.
Verder heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat het college gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het bouwplan in het bestemmingsplan past. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet beoordeeld of er zwaarwegendere belangen zijn die aan het honoreren van dat vertrouwen in de weg staan.
- de nadere motivering
2.2.    Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak in een brief van 14 februari 2023 een aanvullende motivering over de strijd met het bestemmingsplan gegeven. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ook ingeval het bestemmingsplan per kadastraal perceel een hoofdgebouw is toegestaan, het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.
Ook heeft het zich daarin alsnog op het standpunt gesteld dat zwaarwegender belangen in de weg staan aan het honoreren van bij [appellant sub 2A] gewekt vertrouwen.
- de einduitspraak
2.3.    De rechtbank heeft in de einduitspraak het besluit van het college vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van dat besluit gedeeltelijk in te stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college in de aanvullende motivering voldoende heeft onderbouwd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de drie hoofdgebouwen geheel of gedeeltelijk op hetzelfde kadastrale perceel zijn geprojecteerd. In zoverre heeft het college naar het oordeel van de rechtbank het geconstateerde gebrek hersteld.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen die zijn gediend met het niet honoreren van het bij [appellant sub 2A] gewekte vertrouwen. Volgens de rechtbank heeft het college echter ten onrechte niet beoordeeld of aan [appellant sub 2A] een financiële compensatie moet worden geboden voor schade die hij mogelijk heeft geleden als gevolg van het gewekte vertrouwen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in zoverre niet heeft hersteld. Dat betekent dat het college nog een besluit diende te nemen over vergoeding van eventuele schade, zo overwoog de rechtbank.
- de hoger beroepen
2.4.    Het college is het niet eens met de vernietiging van het besluit door de rechtbank en heeft daarom hoger beroep ingesteld. Volgens het college is de omvang van de strijd met het bestemmingsplan in het besluit wel deugdelijk gemotiveerd. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt.
[appellant sub 2A] heeft hoger beroep ingesteld tegen de tussenuitspraak, omdat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat het in strijd is met het bestemmingsplan als een gebouw een kadastrale grens overschrijdt. Ook acht hij de tussenuitspraak onjuist voor zover de rechtbank in de tussenuitspraak het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. [appellant sub 2A] is het er verder niet mee eens dat de rechtbank in de einduitspraak de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand heeft gelaten. Verder heeft de rechtbank miskend dat het college zich met de aanvullende motivering niet op het standpunt heeft mogen stellen dat er zwaarder wegende belangen zijn die aan het honoreren van het gewekte vertrouwen in de weg staan.
Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan omdat het voorziet in meer dan één hoofdgebouw op een perceel?
3.       [appellant sub 2A] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak weliswaar terecht heeft overwogen dat het bestemmingsplan op een kadastraal perceel een hoofdgebouw mogelijk maakt, maar ten onrechte dat het bouwplan in dat geval in strijd is met het bestemmingsplan. Hij brengt naar voren dat het bestemmingsplan meer dan één woongebouw op een kadastraal perceel toestaat als één van die gebouwen als het belangrijkst is aan te wijzen en daarom als hoofdgebouw is aan te merken. Als een ander woongebouw dan slechts voor een klein deel op dat kadastraal perceel staat, is dat niet in strijd met het bestemmingsplan, want is dat gebouw niet als een hoofdgebouw aan te merken, zodat op het kadastraal perceel nog steeds maar één hoofdgebouw staat. Ook voert hij aan dat het college aan hem omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van woongebouwen aan het Vlietsend in Krommenie en het er daarbij wel van is uitgegaan dat per kadastraal perceel een hoofdgebouw mag worden gebouwd. De uitleg van "perceel" in de planregels stond niet in de weg aan vergunningverlening. De rechtbank is ten onrechte ervan uitgegaan dat het college door nu van een andere uitleg uit te gaan niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.
Het college betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Zij heeft ten onrechte overwogen dat voor de uitleg van het begrip "perceel" in de planregels moet worden uitgegaan van de betekenis daarvan in het algemeen spraakgebruik en daarom van kadastrale percelen.
3.1.    Op grond van artikel 10, aanhef, van de planregels mogen gronden met de bestemming "Gemengd" onder meer worden gebruikt voor bedrijven en woningen. In artikel 10.2.1, aanhef en onder a, van de planregels is geregeld dat op gronden met de bestemming "Gemengd" hoofdgebouwen alleen binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding het gehele bestemmingsvlak is aangeduid als één bouwvlak.
In de planregels wordt onder "hoofdgebouw" verstaan: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Gelet op deze definitie kan maar één gebouw op een perceel het belangrijkst zijn en dat betekent in dit geval dat er op een perceel niet meer dan één hoofdgebouw aanwezig mag zijn. Voor de beantwoording van de vraag of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan is daarom van belang of het terrein van [appellant sub 2A] één perceel betreft of uit meer percelen bestaat. Het bestemmingsplan bevat geen definitie van "perceel". Ook anderszins blijkt uit het bestemmingsplan niet wat daaronder moet worden verstaan. Evenmin bevat de plantoelichting aanwijzingen hoe dat begrip moet worden uitgelegd.
Volgens vaste rechtspraak (bijv. de uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3971) zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. Als een begrip niet in de planregels zelf is omschreven (begripsbepalingen) en als in het bestemmingsplan en de plantoelichting geen aanwijzingen zijn te vinden hoe dat begrip moet worden uitgelegd, dan komt betekenis toe aan de uitleg die het college aan dat begrip heeft gegeven. Het college kan daarbij aansluiten bij het algemeen spraakgebruik. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was het college dus niet gehouden om aan te sluiten bij het algemeen spraakgebruik.
Het college heeft voor de uitleg van het begrip "perceel" in de planregels aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Afdeling over de uitleg van het begrip "perceel" in Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), waarin de feitelijke actuele situatie waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden, van belang wordt geacht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3971). In de Bijlage van het Bor worden dezelfde definities van "hoofdgebouw" en "bijbehorend bouwwerk" gebruikt als in de planregels. Het college heeft voor de uitleg van het begrip "perceel" in de planregels naar het oordeel van de Afdeling daarom bij die rechtspraak mogen aansluiten. In de omstandigheid dat in artikel 1, onder 38, van de planregels een definitie van "bouwperceel" wordt gegeven, een begrip dat in de relevante planregels niet voorkomt, heeft het college geen aanleiding moeten zien om dat niet te doen. Anders dan waarvan [appellant sub 2A] uitgaat, is de uitleg die het college heeft gegeven aan het begrip "perceel" niet gelijk aan de definitie van "bouwperceel" in de planregels, wat daar verder ook van zij.
Voor zover [appellant sub 2A] in dit verband een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, overweegt de Afdeling het volgende. Het college heeft op 28 juni 2021 aan [appellant sub 2A] een omgevingsvergunning verleend voor drie woongebouwen aan het Vlietsend. Volgens [appellant sub 2A] is daarbij van een andere uitleg van "perceel" uitgegaan. De Afdeling overweegt dat het college in het besluit van 28 juni 2021 het desbetreffende bouwplan in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht, omdat ter plaatse woningen op de begane grond niet zijn toegestaan. Uit het besluit blijkt niet dat het college ook nog heeft getoetst of meer dan één hoofdgebouw op een perceel al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij dat besluit is uitgegaan van een andere uitleg van "perceel". Het door [appellant sub 2A] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Anders dan [appellant sub 2A] veronderstelt, gaat het bij de beoordeling van de actuele feitelijke situatie niet om de situatie waarin de aanvraag voorziet. Dat het bouwplan uitgaat van sloop van de bestaande bebouwing op het terrein is daarom niet relevant voor de vraag of sprake is van één perceel. Het college heeft in lijn met de rechtspraak zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat voor de uitleg van het begrip "perceel" niet doorslaggevend is of het gaat om hetzelfde kadastrale perceel of dat de kadastrale percelen in eigendom zijn van dezelfde persoon. Evenmin is bepalend of op de gronden dezelfde bestemming rust.
Uit de stukken komt de volgende informatie naar voren over de feitelijke actuele situatie ten tijde van het besluit. Het terrein van [appellant sub 2A] is onderdeel van het kleinschalige en cultuurhistorisch waardevolle dorpslint van Krommenie. De Noorderhoofdstraat ligt parallel aan de ten westen van die weg gelegen watergang Durgsloot, met aan weerszijden van die weg bebouwing. Het terrein ligt tussen de Noorderhoofdstraat en de Durgsloot. Het terrein is aan de straatzijde afgesloten met een rolhek. Het terrein is verhard en op het terrein staan enkele opstallen. Op het terrein wordt geparkeerd. Het terrein bestaat volgens het college uit één aaneengesloten gebied zonder afscheidingen. Dat heeft [appellant sub 2A] niet betwist. In de aanvraag staat dat op het terrein tijdelijk wordt gewoond en dat bedrijfsbebouwing in slechte staat verkeert en als opslagloods en werkplaats in gebruik is.
Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de inrichting en de wijze van gebruik van het terrein van [appellant sub 2A] maken dat het terrein niet is te beschouwen als bestaande uit verschillende percelen. Dat onderdelen van het terrein en de gebouwen niet voor dezelfde functie worden gebruikt, doet hieraan niet af.
Gelet op de planregels mag op een perceel maar één hoofdgebouw staan.  Een van de woongebouwen is het hoofdgebouw. Ongeacht welk woongebouw als hoofdgebouw moet worden aangemerkt, kunnen de andere twee woongebouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet worden aangemerkt als bijbehorende bouwwerken. In artikel 1.30 van de planregels staat dat bijbehorende bouwwerken zijn: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. De twee andere woongebouwen op het perceel zijn geen bijbehorende bouwwerken, omdat zij niet functioneel verbonden zijn met het als hoofdgebouw aan te merken gebouw.
Het college heeft zich dan ook in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan in zoverre in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dit in de tussenuitspraak en einduitspraak niet onderkend.
Het betoog van het college slaagt. Het betoog van [appellant sub 2A] slaagt niet.
Heeft het college bij [appellant sub 2A] gerechtvaardigd vertrouwen gewekt?
4.       Het college betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het bij [appellant sub 2A] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat het de omgevingsvergunning niet zal weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college kan wat in het stuk "overeenkomst Quickscan" onder het kopje "overwegende" staat niet worden gezien als een uitlating waaruit [appellant sub 2A] dat kon en mocht afleiden. Daarbij wijst het op de uitspraak van 3 september 2012, ECLI:NL:RVS:2014:3266. De toetsing van een project aan het bestemmingsplan is geen onderdeel van de afspraken die in de overeenkomst zijn vastgelegd. Ook staat in een artikel van de overeenkomst dat de afspraken niet afdoen aan de publiekrechtelijke taken en bevoegdheden van de gemeente, aldus het college. Tot slot wijst het erop dat [appellant sub 2A] een professionele partij is.
4.1.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.’
4.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college bij [appellant sub 2A] niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de omgevingsvergunning niet zou worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.
[appellant sub 2A] en de gemeente Zaanstad hebben op 8 maart 2021 een zogenoemde overeenkomst Quickscan gesloten met betrekking tot de mogelijke herontwikkeling door [appellant sub 2A] van zijn terrein ten behoeve van woningbouw. In artikel 1.1 van de overeenkomst staat dat de gemeente een quickscan uitvoert op een presentatie van het plan voor de onderdelen verkeer, stedenbouw en cultuurhistorie. Niet in geschil is dat de bij de overeenkomst behorende presentatie van het plan, die is opgenomen als bijlage 1, niet wezenlijk verschilt van het bouwplan dat in de aanvraag is opgenomen. In artikel 1.3 staat dat de gemeente het initiatief éénmaal toetst op de disciplines als bedoeld in artikel 1.1. In artikel 1.6 staat dat de kosten van uitvoering van de quickscan voor rekening en risico van [appellant sub 2A] zijn. Artikel 1.8 bepaalt dat aan de resultaten van de quickscan door [appellant sub 2A] op geen enkele manier rechten worden ontleend met betrekking tot de medewerking van de gemeente aan de verdere totstandkoming van het initiatief. De overeenkomst bevat algemene bepalingen. In artikel 4.2 staat dat het in de considerans vermelde integraal deel uitmaakt van de overeenkomst.
Uit de artikelen van de overeenkomst blijkt dat de gemaakte afspraken alleen betrekking hebben op (de uitvoering en kosten van) een quickscan voor de onderdelen verkeer, stedenbouw en cultuurhistorie. Het college komt alleen toe aan de toetsing van die onderdelen als een bouwplan, waarvoor in dit geval nog een aanvraag moest worden ingediend, in strijd is met het bestemmingsplan. De overeenkomst en de brief van 10 mei 2021 bevatten alleen al vanwege deze omstandigheden geen toezeggingen waaruit [appellant sub 2A] redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de omgevingsvergunning niet zou worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan. Dat in de inleiding van de overeenkomst, onder het kopje "overwegende" (considerans), staat dat het initiatief past binnen het vigerende bestemmingsplan "Krommenie", maakt dit niet anders, omdat deze zin redelijkerwijs in het licht van artikelen 1.1 en 1.8 van de overeenkomst Quickscan moet worden bezien.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank heeft dit in de tussenuitspraak en einduitspraak niet onderkend.
Het betoog van het college slaagt.
Conclusie over de hoger beroepen
5.       Het hoger beroep van het college is gegrond en het hoger beroep van [appellant sub 2A] is ongegrond. De tussenuitspraak en de einduitspraak dienen te worden vernietigd. De Afdeling komt niet toe aan de beoordeling van de grond van [appellant sub 2A] dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand heeft gelaten.
Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2A] tegen het besluit van 22 juli 2021 alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat het besluit van het college herleeft.
Conclusie beroep tegen nader besluit
6.       Het college heeft naar aanleiding van de einduitspraak van de rechtbank op 22 januari 2022 een besluit genomen over vergoeding van schade. Tegen dat besluit is van rechtswege een beroep van [appellant sub 2A] ontstaan. Dat vindt zijn grondslag in artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Uit wat hiervoor onder 5 is overwogen, volgt dat aan dit besluit de grondslag is ontvallen. Daarom zal de Afdeling ook dit besluit vernietigen.
Proceskosten en griffierecht
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Van het college wordt geen griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad gegrond;
II.       vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 januari 2023 en de einduitspraak van 27 juli 2023, in zaak nr. 22/4191;
III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en ’t Atelier Saendelft B.V. ongegrond;
IV.      verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en ’t Atelier Saendelft B.V. ongegrond;
V.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 22 januari 2026, kenmerk 9956232.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
163-1036
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Krommenie"
Artikel 1 Begrippen Pro
[…];
30. Bijbehorende bouwwerken: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
[…];
38. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, samenvallend met een kadastraal perceel of met aan dezelfde eigena(a)r(en) toebehorende kadastrale percelen, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
[…];
40. Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
[…];
64. Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
[…];
124. Woning: een complex van ruimten, bedoeld voor permanente huisvesting van één afzonderlijk huishouden of daarmee gelijk te stellen woonvorm, niet zijnde kamerverhuur; onder woning of wooneenheid worden mede zorgwoningen begrepen.
[…].
Artikel 10.1
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bedrijven;
[…];
f. woningen
[…].
Artikel 10.2
Op en onder de in 10 lid 1 Bestemmingsomschrijving genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met inachtneming van de volgende bepalingen:
10.2.1
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
[…].
10.2.2
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
binnen de bouwvlakken en op de bij het hoofdgebouw behorende erven die liggen binnen deze bestemming mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
[…].