ECLI:NL:RVS:2026:4441

Raad van State

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
202502612/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69a AwbAfdeling 3.4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen locatieaanduiding ondergrondse restafvalcontainers in Rotterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bij besluit van 20 juni 2025 een locatie tegenover de woning van appellant aangewezen voor het plaatsen van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). Appellant stelde dat het college de procedure niet correct had gevolgd en dat de locatie ongeschikt was vanwege afstand tot het appartementencomplex en overlast.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college de openbare voorbereidingsprocedure conform de Awb had doorlopen, ondanks dat een definitief besluit al op 31 maart 2025 was genomen. De bezwaren over de afstand tot de ingang van het appartementencomplex konden niet leiden tot vernietiging omdat deze niet de eigen belangen van appellant betroffen.

Verder werd overwogen dat de overlast en waardedaling onvoldoende concreet waren onderbouwd en dat het college gemotiveerd had weerlegd dat alternatieve locaties geschikter waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te betalen.

Uitkomst: Het beroep tegen de locatieaanduiding van de ondergrondse restafvalcontainers wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202502612/1/R1.
Datum uitspraak: 29 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit, bekendgemaakt op 20 juni 2025, heeft het college de locatie tegenover het perceel [locatie] te Rotterdam aangewezen voor het plaatsen van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s).
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Hielkema, zijn verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek op de zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen te reageren op alternatieve locaties voor de ORAC’s die [appellant] heeft genoemd.
Het college en [appellant] hebben vervolgens nadere stukken ingediend.
[appellant] heeft desgevraagd aangegeven geen gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het college heeft - binnen noch buiten de daartoe door de Afdeling gestelde termijn - reactie gegeven op het verzoek van de Afdeling om aan te geven of het gebruik wenst te maken van die mogelijkheid. De Afdeling sluit daarom het onderzoek en doet uitspraak.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] woont op het adres [locatie]. De ORAC’s zijn voorzien tegenover haar woning.
Toetsingskader
2.       Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC. Als dat zo is, dan beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van die locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
Procedure
3.       [appellant] betoogt dat het college de procedure niet goed heeft doorlopen aangezien het college al op 31 maart 2025 een definitief besluit genomen heeft, terwijl er eigenlijk een periode van 6 weken vanaf 5 maart 2025 stond voor het indienen van zienswijzen. Dit geeft de indruk dat het besluit van het college van tevoren definitief vaststond en zienswijzen niet relevant waren.
3.1.    De Afdeling overweegt dat het ontwerp van het aanwijzingsbesluit op 5 maart 2025 is gepubliceerd. [appellant] heeft haar zienswijze tegen het ontwerpbesluit ingediend op 18 maart 2025. Het definitieve aanwijzingsbesluit is pas op 20 juni 2025 en daarmee na het definitieve besluit en het verstrijken van de termijn voor het indienen van zienswijzen gepubliceerd. Tegen die achtergrond kan het betoog van [appellant] niet worden gevolgd. Ook als het college haar op 31 maart 2025 een brief met een beantwoording van haar zienswijze heeft gestuurd, kan uit deze verzenddatum op zichzelf nog niet worden afgeleid dat haar zienswijzen niet relevant waren. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel in dat het college in strijd met de uniformatie openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld. Het betoog slaagt niet.
Richtafstand bewoners appartementen
4.       [appellant] betoogt dat de locaties voor de ORAC’s te ver van de ingang van het appartementencomplex aan de Pampuskade zijn voorzien. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstanden.
4.1.    Deze grond houdt geen verband met de eigen belangen van [appellante], maar met de belangen van andere bewoners die op een grotere afstand van een inzamelvoorziening wonen. Daarom kan deze beroepsgrond op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1778, r.o. 5-5.4).
Overlast
5.       [appellant] betoogt dat de bewoners van de bestaande eengezinswoningen aan de Flying Dutchmanstraat eigen afvalcontainers hebben en geen gebruik maken van de ORAC’s. Ook geven de huidige bovengrondse containers overlast omdat er regelmatig afval en grofvuil naast de containers wordt geplaatst. Dit leidt ook tot een waardedaling van de woning. Het plaatsen van de ORAC’s zal dit probleem niet wegnemen.
5.1.    Over het naast de ORAC plaatsen van afval heeft de Afdeling eerder overwogen dat dit een kwestie van handhaving is. Een eventueel gebrekkige handhaving tast de rechtmatigheid van het besluit tot aanwijzing van de onderhavige locaties niet aan (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1966, en 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2724).
Over de gestelde waardedaling overweegt de Afdeling dat [appellant] onvoldoende concreet heeft gemaakt hoe in hun geval de aanwijzing van de bestreden locatie zou leiden tot zo’n waardevermindering van haar woning dat het college had moeten afzien van de aanwijzing van die locatie dat het college had moeten afzien van de aanwijzing van die locatie (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1478). Het betoog slaagt niet.
Alternatieven
6.       [appellant] betoogt dat er andere locaties voor de ORAC’s mogelijk zijn, namelijk langs de Pampuskade, bij de entree van het appartementencomplex, dan wel in de omgeving van de kruising van de Oostdijk - Flying Dutchmanstraat - Solingstraat.
6.1.    Het college heeft gemotiveerd weerlegd waarom de aangedragen alternatieven niet zoveel beter zijn dan de nu aangewezen locatie, dat die locatie niet had mogen worden aangewezen. Zo heeft het college erop gewezen dat het ingraven van ORAC’S op de Pampuskade kan leiden tot verzakking van de kade. Verder is de Pampuskade daar afgesloten en zal de ophaalwagen na het legen van de ORAC achteruit moeten rijden wat voor gevaarlijke verkeerssituaties zorgt. Het plaatsen van de ORAC’S aan de kant van de Pampuskade waar het appartementencomplex staat, leidt ertoe dat de ORAC’S in de achtertuinen van de woningen op de begane grond komen. Daarbij neemt het daar plaatsen de gevaarlijke situatie bij het achteruitrijden van het ophaalvoertuig niet weg. Wat betreft de verschillende locaties langs de Oostdijk heeft [appellant] niet overtuigend inzichtelijk gemaakt waarom deze locaties zoveel geschikter zijn, dat het college niet voor de nu aangewezen locatie had mogen kiezen. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7.       Het beroep is ongegrond.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te betalen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026
361