ECLI:NL:RVS:2026:711

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.000766
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Appellant, met de Ethiopische nationaliteit en afkomstig uit Mek’ele in de regio Tigray, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd bij besluit van 4 september 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond op 17 juni 2025.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de minister de situatie in Mek’ele deugdelijk heeft gemotiveerd, waarbij werd vastgesteld dat de veiligheidssituatie sinds de staakt-het-vurenovereenkomst van november 2022 aanzienlijk is verbeterd. Hierdoor is er geen sprake van omstandigheden die recht geven op een verblijfsvergunning op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De grieven van appellant, waaronder de vijfde grief, zijn ongegrond verklaard. De Afdeling ziet geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen, mede omdat de grieven geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.000766
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 juni 2025 in zaak nr. NL24.35588 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 17 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant heeft de Ethiopische nationaliteit en komt uit Mek’ele, een stad in de regio Tigray in Ethiopië. In de uitspraak van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Mek’ele, de hoofdstad van Tigray, geen sprake is van een situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat Mek’ele valt onder het beheer van de Tigrayan Interim Regional Administration (TIRA), en dat de veiligheidssituatie sinds de staakt-het-vurenovereenkomst van november 2022 sterk is verbeterd. Dit uit zich in een aanzienlijke daling van gewapende confrontaties, mensenrechtenschendingen en het aantal burgerdoden.
1.1.        De vijfde grief slaagt niet.
2.        Wat appellant aanvoert in de eerste, tweede, derde en vierde grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Toonen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
979