ECLI:NL:RVS:2026:725

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
202405157/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 8:54 AwbArt. 24 EU HandvestArt. 3.106a Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging rechtbankuitspraak en ongegrondverklaring beroep inzake verblijfsvergunning minderjarige met internationale bescherming in Bulgarije

Betrokkene, een minderjarige met internationale bescherming in Bulgarije, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland. De minister verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk, omdat betrokkene naar Bulgarije kan terugkeren. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de belangen van het kind onvoldoende waren meegewogen en dat de garanties van Bulgarije onvoldoende waren.

In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de minister wel degelijk de belangen van het kind heeft betrokken, waaronder de familiebanden in Nederland, maar dat betrokkene deze niet voldoende heeft onderbouwd. Ook zijn de individuele garanties van de Bulgaarse autoriteiten concreet en toereikend, met ondersteuning op sociaal en psychologisch vlak.

Betrokkene voerde aan dat de opvang in Bulgarije slecht is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt, maar de Afdeling verwijst naar eerdere jurisprudentie en concludeert dat de minister terecht van dit beginsel uitgaat. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.

Uitspraak

202405157/1/V1.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2024 in zaak nr. NL24.26208 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Vries, advocaat in Leeuwarden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene, geboren op [geboortedatum] 2006, heeft internationale bescherming in Bulgarije. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene vanwege de internationale bescherming naar dat land kan terugkeren. De omstandigheden die betrokkene heeft aangevoerd over zijn verblijf in Nederland, zijn volgens de minister onvoldoende voor de conclusie dat betrokkene niet naar Bulgarije hoeft terug te keren.
1.1.    De rechtbank heeft overwogen dat de minister in haar besluit de belangen van betrokkene als minderjarige onvoldoende kenbaar heeft meegewogen. Ook de individuele garanties die de minister van de Bulgaarse autoriteiten heeft verkregen zijn volgens de rechtbank onvoldoende. De minister heeft daarom volgens de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd waarom betrokkene bij terugkeer naar Bulgarije geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest.
Hoger beroep
2.       De minister klaagt in haar eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister de belangen van het kind opnieuw onvoldoende kenbaar heeft meegewogen.
2.1.    Uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1270, onder 3.4, volgt dat, wanneer de minister een besluit neemt op een asielaanvraag van een minderjarige vreemdeling die internationale bescherming geniet in een andere lidstaat, zij bij haar beoordeling de belangen van het kind moet betrekken. Dat betekent dat de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van Pro het EU Handvest ook moeten worden ingelezen in de relevante feiten en omstandigheden die de minister ingevolge artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb 2000 in haar beoordeling moet betrekken. Op grond van die bepaling moet de minister alle relevante feiten en omstandigheden betrekken bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling een zodanige band met een derde land, in dit geval Bulgarije, heeft dat de minister redelijkerwijs van hem kan verlangen om naar dat land terug te keren.
2.2.    De minister voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in het besluit en het daarin ingelaste voornemen deugdelijk gemotiveerd op de belangen van het kind is ingegaan en zich in dit geval niet de situatie voordoet dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de minister niet van betrokkene mag verwachten dat hij naar Bulgarije terugkeert. Zo heeft zij bij haar beoordeling betrokken dat de voogd van betrokkene heeft laten weten dat het voor betrokkene van belang is om bij zijn tante en neven in Nederland te verblijven en dat tussen hen een warme familieband bestaat. De minister heeft zich hierbij terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene dit belang, anders dan bijvoorbeeld in de zaak die ten grondslag lag aan eerdergenoemde uitspraak van 31 maart 2023, niet met stukken heeft onderbouwd of heeft gespecificeerd waaruit dit belang bestaat. De Afdeling begrijpt dat het voor betrokkene belangrijk is om contact te onderhouden met zijn familie in Nederland, maar de minister heeft er hierbij terecht op gewezen dat uit de verklaringen van betrokkene niet blijkt dat hij vanwege zijn familie in Nederland uit Bulgarije is vertrokken en dat betrokkene heeft verklaard dat hij en zijn in Nederland wonende tante niet afhankelijk zijn van elkaar. Ook heeft betrokkene verklaard dat hij niet de wens heeft om bij zijn tante en neven te wonen, zoals de minister ook bij haar motivering heeft betrokken. De minister wijst hierbij terecht erop dat betrokkene ook anderszins niet met stukken heeft onderbouwd dat er tussen hem en zijn familie een bijzondere band of afhankelijkheid bestaat.
2.3.    Betrokkene en zijn voogd hebben op de zitting in beroep weliswaar nog verklaard dat betrokkene zijn tante iedere week ziet, zij heel belangrijk voor hem is en hij afhankelijk is van haar, maar de minister stelt hier terecht tegenover dat betrokkene deze afhankelijkheid niet heeft gespecificeerd of met stukken heeft onderbouwd. De stelling op de zitting in beroep dat betrokkene op haar rekent en hij haar beschouwt als een moeder, is hiervoor onvoldoende. Verder blijkt ook uit de verklaringen van de voogd van betrokkene, anders dan het geval was in eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2023, niet dat er bij betrokkene medische problematiek speelt. De voogd van betrokkene heeft op de zitting namelijk verklaard dat hulpverlening nu niet aan de orde is. De stelling van de voogd dat het schadelijk kan zijn voor de ontwikkeling van betrokkene als hij niet meer kan opgroeien bij zijn tante, neefjes en nichtjes, heeft betrokkene niet met stukken onderbouwd en laat onverlet dat de tante hem in Bulgarije kan bezoeken en zij het contact op afstand kunnen voortzetten, zoals ook de minister op de zitting in beroep naar voren heeft gebracht.
2.4.    De minister heeft ten slotte bij haar beoordeling mogen betrekken dat het inherent aan het verblijf van betrokkene in Nederland is dat hij de Nederlandse taal spreekt en hij hier naar school gaat. Hoewel het begrijpelijk is dat betrokkene hier een sociaal leven heeft opgebouwd, de taal spreekt en bijvoorbeeld op een voetbalclub zit, maakt dit nog niet dat de minister daarom niet van betrokkene mag verlangen dat hij terugkeert naar Bulgarije.
2.5.    Gelet op het voorgaande is de minister deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de belangen van het kind. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.
3.       In haar tweede grief voert de minister aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Bulgaarse autoriteiten voldoende individuele garanties hebben afgegeven dat betrokkene bij terugkeer naar Bulgarije terechtkomt in een omgeving die past bij zijn minderjarige leeftijd.
3.1.    De minister heeft bij de Bulgaarse autoriteiten tweemaal om individuele garanties gevraagd voor betrokkene. In de laatste reactie van de Bulgaarse autoriteiten van 2 mei 2024 staat onder meer dat de meest geschikte plek voor jongeren boven de 16 jaar een ‘Residential social care service’ of een ‘Transitional home’ is, waar jongeren worden voorbereid op een zelfstandig leven. Verder staat er in de reactie dat minderjarige statushouders in Bulgarije toegang hebben tot onderwijs en meer specifiek voor betrokkene dat hij in Nederland onderwijs heeft gevolgd en hij zijn scholing in Bulgarije kan voortzetten. In de reactie staat verder dat een sociaal werker betrokkene zal ondersteunen bij zijn inschrijving voor een geschikte school dicht bij zijn woonplaats. Ten slotte staat er in de reactie dat betrokkene ondersteuning kan krijgen van een psycholoog, een docent en een sociaal werker om te werken aan eventuele emotionele, psychologische of sociale problemen en dat betrokkene de beschikking zal krijgen over een computer met internetverbinding om contact te kunnen onderhouden met zijn naasten.
3.2.    De Afdeling is van oordeel dat de toezeggingen van de Bulgaarse autoriteiten in dit geval voldoende concreet zijn. De minister voert terecht aan dat het gegeven dat in de reactie algemene termen over minderjarigen staan, niet maakt dat de toezeggingen daardoor onvoldoende concreet zijn. In de reactie noemen de Bulgaarse autoriteiten betrokkene namelijk ook een paar keer bij naam en verwijzen zij naar ‘the minor boy’. Uit de antwoorden in samenhang gelezen volgt dan ook dat zij specifiek over betrokkene gaan. De minister wijst er daarbij terecht op dat het, gezien het gegeven dat betrokkene nog in Nederland verblijft en het niet zeker is wanneer hij precies naar Bulgarije terugkeert, onvermijdelijk is dat de reactie ook algemene bewoordingen bevat. Betrokkene heeft verder niet met stukken onderbouwd dat getwijfeld moet worden aan de toezeggingen van de Bulgaarse autoriteiten.
3.3.    Gelet op het voorgaande heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene bij terugkeer naar Bulgarije geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest en klaagt zij terecht dat de rechtbank haar ten onrechte een nadere onderzoeksplicht heeft opgelegd. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroep
5.       Betrokkene heeft aangevoerd dat hij in de periode dat hij in Bulgarije verbleef weliswaar een voogd had, maar dat hij deze nooit heeft gezien en dat hij in de opvanglocatie waar hij verbleef te weinig eten kreeg. Dat betrokkene in het verleden onvoldoende ondersteuning heeft gehad, maakt niet dat dit bij een terugkeer naar Bulgarije opnieuw het geval zal zijn. Bovendien heeft betrokkene als statushouder dezelfde rechten als een Bulgaarse onderdaan en mag de minister van hem verwachten dat hij zich tot de Bulgaarse autoriteiten wendt om te klagen over zijn opvangvoorzieningen. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij voorbaat zinloos is. Voor zover betrokkene erop heeft gewezen dat jongeren vaak traumatische ervaringen hebben meegemaakt en het recht hebben op een humane en respectvolle behandeling, volgt uit eerdergenoemde reactie van de Bulgaarse autoriteiten dat betrokkene ondersteuning kan krijgen van een psycholoog, een docent en een sociaal werker om te werken aan eventuele emotionele, psychologische of sociale problemen. Betrokkene heeft niet gemotiveerd dat hij die ondersteuning niet zal krijgen.
5.1.    Betrokkene heeft verder aangevoerd dat de minister voor Bulgarije voor statushouders niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij heeft hierbij gewezen op het AIDA Country Report Bulgarije van april 2024 en heeft gesteld dat uit dit rapport blijkt dat de leefomstandigheden in de asielopvang zeer slecht zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3967, onder 6 tot en met 6.6, volgt dat de algemene situatie voor statushouders niet zo slecht is, dat zij na hun vertrek naar Bulgarije risico lopen op een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest en de minister voor Bulgarije dus nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het door betrokkene aangehaalde AIDA-rapport dateert weliswaar van na de uitspraak van de Afdeling, maar doet niet af aan de conclusie van die uitspraak. De passages waar betrokkene op heeft gewezen gaan namelijk over de asielopvang, terwijl betrokkene in Bulgarije al een status heeft. Bovendien heeft de minister in het geval van betrokkene, onder verwijzing naar de reactie van de Bulgaarse autoriteiten, deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene als minderjarige bij terugkeer naar Bulgarije geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ook het betoog van betrokkene, onder verwijzing naar arrest van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, X, ECLI:EU:C:2024:195, dat de minister een nadere onderzoeksplicht heeft om te garanderen dat betrokkene bij terugkeer naar Bulgarije niet in een mensonwaardige situatie terechtkomt, slaagt niet. Dat arrest gaat over de overdracht naar een andere lidstaat in het kader van de Dublinprocedure en betrokkene heeft niet gespecificeerd dat in zijn geval op grond van dit arrest de minister een nadere onderzoeksplicht heeft. Bovendien heeft de minister in dit geval de verklaringen van betrokkene over zijn eerdere verblijf in Bulgarije al bij haar beoordeling betrokken en heeft zij bij de Bulgaarse autoriteiten om individuele garanties gevraagd.
Conclusie beroep
6.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2024 in zaak nr. NL24.26208;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
977