ECLI:NL:RVS:2026:742

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
202303317/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestemmingsplan Westerpark Zuid wegens gebrekkige motivering en rechtszekerheid

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraak van 11 februari 2026 het bestemmingsplan "Westerpark Zuid" van de gemeente Amsterdam vernietigd. Dit besluit van 5 april 2023 was al eerder in een tussenuitspraak van 9 april 2025 bekritiseerd vanwege gebreken, waaronder strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en onvoldoende motivering over parkeernormen en de toelating van horeca en een tandartsenpraktijk.

De raad heeft een herstelbesluit genomen op 8 oktober 2025, maar het beroep van een van de appellanten, eigenaar van een pand aan de locatie, werd gegrond verklaard omdat de raad niet toereikend had gemotiveerd waarom een tandartsenpraktijk niet ruimtelijk aanvaardbaar zou zijn. De Afdeling oordeelde dat de aanvullende motivering onvoldoende rekening hield met vergelijkbare toegestane functies en het individuele belang van appellant.

De Afdeling heeft daarom het herstelbesluit vernietigd voor zover het de toelating van een tandartsenpraktijk op de locatie betreft en heeft zelf bepaald dat deze functie op de verbeelding wordt toegekend. Tevens is de raad opgedragen de uitspraak binnen vier weken te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan. De raad is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan de appellanten.

Uitkomst: Het bestemmingsplan Westerpark Zuid wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, met toelating van een tandartsenpraktijk op de locatie.

Uitspraak

202303317/2/R1.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellante sub 1], gevestigd in Amsterdam,
2.       [appellante sub 2A], gevestigd in Amsterdam, en [appellant sub 2B], wonend in Amsterdam, (hierna ook: [appellant sub 2]),
appellanten,
en
de raad van de gemeente Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 9 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1392, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 5 april 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Westerpark Zuid" te herstellen.
Bij beschikking van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3805, heeft de Afdeling de bij de tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 15 oktober 2025.
Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Westerpark Zuid" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).
[appellant sub 2] heeft hierover een zienswijze naar voren gebracht.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het bestemmingsplan dat de raad op 5 april 2023 heeft vastgesteld, is een actualisering en herziening van de bestaande bestemmingsplannen binnen de plangrens.
Tegen het besluit van 5 april 2023 hebben onder andere [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld. [appellante sub 1] is eigenaar van houtzaagmolen De Otter en een aantal andere opstallen op het molenterrein aan de Gillis van Ledenberchtstraat in Amsterdam (hierna: het molenterrein). [appellante sub 2A] is eigenaar en verhuurder van de begane grond van het pand aan het [locatie] in Amsterdam (hierna: de locatie).
2.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] gebreken in het besluit van 5 april 2023 aan het licht hebben gebracht. De raad is opgedragen die gebreken te herstellen. Om aan die opdracht te voldoen, heeft de raad het herstelbesluit genomen.
3.       Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Beroepen tegen het besluit van 5 april 2023
4.       De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het bestemmingsplan, wat de toegestane oppervlakte aan ondergeschikte detailhandel op het molenterrein betreft, niet zorgvuldig is voorbereid en dat artikel 10.3.2 van de planregels, dat over het voldoen aan parkeernormen gaat, in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Verder is geoordeeld dat het bestemmingsplan niet deugdelijk is gemotiveerd, voor zover dat horeca van categorie 1 op de locatie niet langer mogelijk maakt. De Afdeling heeft ook geoordeeld dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een tandartsenpraktijk op de locatie niet ruimtelijk aanvaardbaar vindt.
Gelet hierop zijn de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] gegrond. Het besluit van de raad van 5 april 2023 moet worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Beroep van [appellante sub 1] tegen het herstelbesluit
5.       [appellante sub 1] heeft naar aanleiding van het herstelbesluit geen zienswijze ingediend en dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met dat besluit kan verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen het herstelbesluit heeft aangevoerd. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond.
Beroep van [appellant sub 2] tegen het herstelbesluit
6.       In het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld overeenkomstig de van het besluit deel uitmakende Nota van Wijzigingen. De locatie heeft op de verbeelding de aanduiding "horeca van categorie 1" gekregen en in paragraaf 5.5.1 van de plantoelichting is nu vermeld dat het Van Limburg Stirumplein is aangewezen als horecaconcentratiegebied.
7.       In het bestemmingsplan heeft de locatie opnieuw de bestemming "Gemengd-1" gekregen. De planregels over die bestemming zijn niet gewijzigd. [appellant sub 2] betoogt dat -anders dan eerder als uitgangspunt is genomen-   er volgens haar thans van moet worden uitgegaan dat de planregels,  onbedoeld, een tandartsenpraktijk op de locatie toestaan. Zij verzoekt de Afdeling te overwegen dat een tandartsenpraktijk rechtstreeks is toegestaan binnen de bestemming "Gemengd-1".
[appellant sub 2] keert zich hiermee tegen het oordeel van de Afdeling in overweging 16.3 van de tussenuitspraak. Het daarin geconstateerde motiveringsgebrek hangt samen met de vaststelling in overweging 14 van de tussenuitspraak dat het bestemmingsplan de vestiging van een tandartsenpraktijk op de locatie niet toelaat. Uit overweging 16.3 zelf volgt ook dat een tandartsenpraktijk niet tot de toegelaten functies behoort.
De Afdeling kan, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde. De uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2753, waarnaar [appellant sub 2] ter motivering van haar verzoek verwijst, bevat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over de uitleg van een bestemmingsplan van een andere gemeente. De Afdeling gaat daarom uit van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.
8.       [appellant sub 2] betoogt dat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht om met inachtneming van wat onder 16.3 van de tussenuitspraak is overwogen, alsnog toereikend te motiveren dat een tandartsenpraktijk op de locatie niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel een ander besluit te nemen. Zij voert aan dat de raad geen nadere motivering heeft gegeven. Het document "Aanvullende motivering tandartsenpraktijk", dat bij de vergaderstukken van de raad zat, maakt volgens haar geen onderdeel uit van het herstelbesluit of het bestemmingsplan. [appellant sub 2] voert verder aan dat uit het document bovendien niet volgt dat een tandartsenpraktijk in ruimtelijk opzicht wezenlijk verschilt van enkele bij recht toegestane functies en dat de belangenafweging daarin onvoldoende gemotiveerd is. Volgens haar heeft de raad niet kunnen aantonen dat een tandartsenpraktijk op de locatie, anders dan bijvoorbeeld de wel toegestane  kapsalon of botox-studio, afbreuk doet aan het gestelde belang van bescherming en versterking van de publiekgerichte functies op het Van Limburg Stirumplein.
8.1.    Uit de website van de gemeente Amsterdam kan worden opgemaakt dat de raad het document "Aanvullende motivering tandartsenpraktijk" bij de besluitvorming op de raadsvergadering van 8 oktober 2025 heeft betrokken.
De raad heeft het document bovendien met het herstelbesluit aan de Afdeling toegezonden. Het document is daarom kennelijk bedoeld als aanvullende motivering van de raad, om daarmee aan de opdracht in de tussenuitspraak te voldoen. Gelet hierop en omdat [appellant sub 2] ook inhoudelijk op die aanvullende motivering heeft gereageerd, ziet de Afdeling aanleiding om het document bij haar beoordeling te betrekken.
8.2.    De Afdeling heeft onder 16.3 van de tussenuitspraak overwogen dat niet valt in te zien dat een kleinschalige tandartsenpraktijk zich in ruimtelijk relevante zin onderscheidt van op de locatie wel toegelaten functies als een schoonheidsinstituut, een pedicure en een bankfiliaal. In de aanvullende motivering wordt opnieuw en uitvoerig aandacht besteed aan het Van Limburg Stirumplein als een op consumenten en passantenpubliek gerichte omgeving. Voor die omgeving zou een tandartsenpraktijk geen toegevoegde waarde hebben en een tandartsenpraktijk zou zo’n omgeving ook niet nodig hebben. Een tandartsenpraktijk is volgens de aanvullende motivering ingericht voor en gericht op een afgebakende doelgroep en levert niet vanzelfsprekend een bijdrage aan interactie met en beleving van de directe omgeving. Volgens de motivering levert een tandartsenpraktijk in de basis ook geen bijdrage aan het verlengen van de verblijfsduur van consumenten in de directe omgeving. Wat hiervan ook zij, eenzelfde redenering kan worden gevolgd bij een aantal wel toegelaten functies en daarop heeft de Afdeling in de tussenuitspraak gewezen. In het licht daarvan moest de raad alsnog toereikend motiveren waarom het belang van [appellant sub 2] bij de vestiging van een kleinschalige tandartsenpraktijk op de locatie minder zwaar zou moeten wegen dan het belang om vast te houden aan de toegelaten functies. De Afdeling is van oordeel dat de raad daarin niet is geslaagd. Zij overweegt daarover het volgende.
In de aanvullende motivering is gesteld dat het algemeen belang van bescherming en versterking van de op consumenten en op (passanten)publiek gerichte functies op het Van Limburg Stirumplein en daarmee het goed functioneren van het (horeca)plein zo zwaar weegt, dat dit prevaleert boven het individuele belang van [appellant sub 2] bij een tandartsenpraktijk. Daaruit blijkt niet dat de raad bij het gestelde algemene belang heeft meegewogen dat het bestemmingsplan functies op de locatie toelaat die wat ruimtelijke impact betreft vergelijkbaar zijn met een kleinschalige tandartsenpraktijk. Daaruit blijkt ook niet dat de raad oog heeft voor het belang van [appellant sub 2], die te maken heeft met afvalcontainers voor haar pand en daardoor op de locatie geen horeca met terras kan realiseren, zoals andere horecagelegenheden op het Van Limburg Stirumplein. De aanvullende motivering getuigt hierdoor niet van een deugdelijke belangenafweging. De raad heeft daarmee niet toereikend gemotiveerd dat een tandartsenpraktijk op de locatie niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
8.3.    Het betoog slaagt.
9.       Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het herstelbesluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb worden vernietigd, voor zover het bestemmingsplan op de locatie geen  tandartsenpraktijk toestaat.
10.     De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal bepalen dat op de verbeelding van het bestemmingsplan de functieaanduiding "tandartsenpraktijk" aan de locatie wordt toegekend. De Afdeling zal verder bepalen dat aan artikel 4.1 van de planregels een nieuw onderdeel wordt toegevoegd, luidende: "tandartsenpraktijk in eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "tandartsenpraktijk";". Gezien de aard en omvang van de voorziene functie acht de Afdeling het niet aannemelijk dat andere belanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad.
11.     De Afdeling ziet verder aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
Proceskosten
12.     De raad moet de proceskosten van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 5 april 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Westerpark Zuid" gegrond;
II.       vernietigt dat besluit;
III.      verklaart het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 8 oktober 2025 tot vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan "Westerpark Zuid" ongegrond;
IV.      verklaart het beroep van [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen dat besluit gegrond;
V.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 8 oktober 2025 tot vaststelling van het gewijzigde bestemmingsplan "Westerpark Zuid", voor zover het plandeel voor het [locatie] met de bestemming "Gemengd-1" geen tandartsenpraktijk in de eerste bouwlaag toestaat;
VI.      bepaalt dat de functieaanduiding "tandartsenpraktijk" op de verbeelding van het bestemmingsplan "Westerpark Zuid" wordt toegekend aan het onder V bedoelde plandeel;
VII.     bepaalt dat aan artikel 4.1 van de planregels een nieuw onderdeel wordt toegevoegd, dat komt te luiden:
"q. tandartsenpraktijk in eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "tandartsenpraktijk";"
en dat de daaropvolgende alfabetische volgorde in artikel 4.1 daarop wordt aangepast;
VIII.    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van de raad van de gemeente Amsterdam van 8 oktober 2025;
IX.      draagt de raad van de gemeente Amsterdam op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen V, VI en VII van deze uitspraak worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
X.       veroordeelt de raad van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:
a.       € 1.868,00 aan [appellante sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
b.       €  2.335,00 aan [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
XI.      gelast dat de raad van de gemeente Amsterdam aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
c.       € 365,00 aan [appellante sub 1];
d.       € 365,00 aan [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. H. Benek, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Visser
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
148