ECLI:NL:RVS:2026:75

Raad van State

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002646
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 30 juni 2023, aangevuld op 18 augustus 2025. Verzoeker stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 11 december 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.

Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft op 8 januari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, bestaande uit kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand.

Deze voorlopige voorziening is gebaseerd op eerdere jurisprudentie en de belangenafweging dat verzoeker niet onherstelbare schade mag lijden door uitzetting tijdens de procedure. De uitspraak is gedaan in het openbaar en ondertekend door de voorzieningenrechter en griffier.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.25.002646
Datum uitspraak: 8 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 11 december 2025 in zaak nr. NL23.20780 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2023, aangevuld op 18 augustus 2025, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 11 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026
986