ECLI:NL:RBDHA:2025:25406

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL23.20780
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 6:19 AwbArt. 31, zesde lid, aanhef en onder e, Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid bekering en politieke vrees Iran

Eiser, een Iraanse asielzoeker, diende in 2017 een asielaanvraag in met als grondslag zijn afvalligheid van de islam, bekering tot het christendom en politieke activiteiten tegen de Iraanse autoriteiten. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van deze motieven, mede gebaseerd op een strafrechtelijk onderzoek waaruit bleek dat eiser een gekocht en ingestudeerd asielrelaas gebruikte.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit aanvankelijk een motiveringsgebrek vertoonde, maar dat de minister dit met een aanvullende motivering in 2025 heeft hersteld. De rechtbank volgt de minister in het oordeel dat de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en bekering ongeloofwaardig zijn, mede door tegenstrijdigheden, oppervlakkigheid en het feit dat het asielrelaas niet authentiek is.

Ook acht de rechtbank de politieke overtuiging van eiser niet sterk genoeg om een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De risico's bij terugkeer op de luchthaven van Teheran zijn weliswaar aanwezig, maar vormen geen grond voor internationale bescherming omdat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege het motiveringsgebrek, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarmee geldig. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €3.401,25 toegewezen.

Uitkomst: De asielaanvraag wordt afgewezen ondanks vernietiging van het besluit wegens motiveringsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20780

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga)
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. J.V. de Kort).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat de minister het bestreden besluit in beroep van een aanvullende motivering heeft voorzien. De rechtbank oordeelt echter ook dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de asielmotieven afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom geen geloof kan worden gehecht. Een van de redenen daarvoor is dat eiser gebruik heeft gemaakt van een voorafgaand aan zijn asielaanvraag onder begeleiding van een juridisch adviseur ingestudeerd asielrelaas. Voor wat betreft de politieke overtuiging van eiser en de risico’s bij terugkeer op de luchthaven heeft de minister zich voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hieruit geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade volgt. Een reden om eiser internationale bescherming te verlenen is er daarom niet. De afwijzing van de asielaanvraag van eiser houdt stand. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop. De redenen waarom eiser een asielaanvraag heeft ingediend staan onder 3. Onder 4 volgt een beschrijving van de totstandkoming van het bestreden besluit. Een samenvatting van de bestreden besluitvorming is opgenomen onder 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de gevolgen voor het beroep van de aanvullende motivering, op de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over afvalligheid en bekering tot het christendom, op de beoordeling van de vrees vanwege eisers politieke overtuiging en op de risico’s op problemen bij terugkeer op de luchthaven. Aan het eind, onder 14, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 30 juni 2023 waarbij de minister de aanvraag van eiser van 4 november 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen. Daarbij is ook bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat hij geen uitstel van vertrek krijgt op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.1.
Op 18 augustus 2025 heeft de minister het bestreden besluit van een aanvullende motivering voorzien en op 22 augustus 2025 heeft hij een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 31 augustus 2025 een reactie ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag legt
3. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Op 5 oktober 2017 is eiser Nederland ingereisd met een door de Nederlandse autoriteiten verleend visum voor kort verblijf voor familiebezoek aan zijn moeder. Op 4 november 2017 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser (gaandeweg en samengevat weergegeven) het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in Iran afstand genomen van de islam en heeft zich daar vervolgens bekeerd tot het christendom. Tijdens zijn verblijf in Nederland is eiser er via de voorganger van zijn huiskerk in Iran van op de hoogte geraakt dat een aantal van zijn christelijke vrienden, tevens leden van de huiskerk, in Iran zijn opgepakt. Omdat eiser bang was dat zijn bekering tot het christendom bekend is geraakt bij de Iraanse autoriteiten, de religieuze inwoners van zijn stad en zijn familie van vaders kant, en hij als gevolg daarvan bij terugkeer problemen vreest, heeft hij in Nederland om bescherming gevraagd. Verder heeft eiser naar voren gebracht dat hij in Nederland politiek actief is als tegenstander van de Iraanse autoriteiten en ook in Iran al politiek actief is geweest, als gevolg waarvan hij in aanraking is gekomen met de autoriteiten. Ook in verband daarmee vreest eiser voor problemen bij terugkeer naar Iran. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser verschillende stukken overgelegd. Deze zien op zowel de afvalligheid en de bekering als op zijn politieke overtuiging en op de risico’s die eiser stelt te lopen bij terugkeer op de luchthaven.
De totstandkoming van het bestreden besluit
4. Nadat eiser op 4 november 2017 zijn asielaanvraag had ingediend, is hij op
19 juni en 10 juli 2018 gehoord over zijn gestelde afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom en over wat hij in dat verband vreest bij terugkeer naar Iran. De minister heeft op 11 augustus 2020 een voornemen tot afwijzing van eisers asielaanvraag uitgebracht. In dat voornemen acht de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar hecht hij geen geloof aan eisers verklaringen over zijn afwending van de islam, zijn bekering tot het christendom en de problemen die leden van de huiskerk in Iran zouden hebben gehad tijdens zijn verblijf in Nederland.
Op 14 juni 2021 heeft de minister een aanvullend voornemen uitgebracht. De reden hiervoor is dat de minister op de hoogte was geraakt van het strafrechtelijk onderzoek door de Koninklijke Marechaussee (KMar), dat heeft geresulteerd in een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2020 [2] waarbij de verdachte in die zaak (zijnde de hiervoor genoemde juridisch adviseur) is veroordeeld voor mensensmokkel van vreemdelingen door hen behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland. Uit het strafrechtelijk onderzoek leidde de minister af dat eiser één van de personen is geweest die gebruik heeft gemaakt van de diensten van de juridisch adviseur. Hierin zag de minister een bevestiging van zijn standpunt in het voornemen van 11 augustus 2020 dat de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en bekering ongeloofwaardig zijn. Bij dit voornemen zijn processen-verbaal van bevindingen en onderzoeksverslagen van afgeluisterde gesprekken van de KMar gevoegd.
Bij brieven van 28 juni en 13 juli 2021 heeft eiser (onder andere) naar voren gebracht dat hij in Nederland actief is als politiek tegenstander van de Iraanse autoriteiten en in dat verband meedoet aan demonstraties. Op 14 september 2021 is eiser hierover, over het aanvullend voornemen van 14 juni 2021 en over zijn gestelde afvalligheid en bekering tot het christendom gehoord. Eiser heeft toen ook naar voren gebracht dat hij in Iran al politiek actief was.
Op 23 november 2021 heeft de minister wederom een aanvullend voornemen uitgebracht. In dit voornemen stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen van eiser over politieke activiteiten in Iran en problemen met de autoriteiten niet geloofwaardig zijn, dat bij eiser niet is gebleken van een fundamentele politieke overtuiging en dat nog altijd niet geloofwaardig is dat hij zich tot het christendom heeft bekeerd en zich heeft afgewend van de islam.
Bij besluit van 23 december 2021 heeft de minister de asielaanvraag afgewezen. Dit besluit is op 10 maart 2022 ingetrokken vanwege nieuwe rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [3]
Op 11 april 2022 is eiser nogmaals gehoord over zijn asielmotieven.
Op 23 maart 2023 heeft de minister een nieuw voornemen uitgebracht. [4] Op 30 juni 2023 heeft hij het bestreden besluit genomen. De besluitvorming is aangevuld op 18 augustus 2025. Voorafgaand daaraan is eiser op 16 juli 2025 nogmaals gehoord.
De bestreden besluitvorming in het kort
Besluit van 30 juni 2023
5. De minister wijst de asielaanvraag van eiser af als ongegrond. [5] De minister merkt de volgende elementen uit het asielrelaas van eiser aan als relevant en heeft deze op geloofwaardigheid beoordeeld:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Afvalligheid
3. Toegedichte afvalligheid
4. Bekering tot het christendom
5. Problemen leden huiskerk in Iran tijdens verblijf van eiser in Nederland
6. Politieke activiteiten in Iran en problemen autoriteiten
7. Politieke activiteiten in Nederland
Aan de relevante elementen 2 tot en met 6 hecht de minister geen geloof. Daarbij speelt, vooral voor wat betreft de elementen 2, 3 en 4, voor de minister een rol dat volgens hem is gebleken dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend op grond van een gekocht en voorafgaand aan zijn aanvraag ingestudeerd, en dus niet-authentiek, asielrelaas. De verklaringen van eiser hierover heeft de minister ook los daarvan ongeloofwaardig geacht.
De minister hecht wel geloof aan de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Ook neemt de minister aan dat eiser religieus getinte berichten heeft geplaatst op sociale media en dat hij aan geloofsactiviteiten deelneemt. Verder acht de minister het geloofwaardig dat eiser politieke activiteiten in Nederland verricht, in die zin dat eiser heeft deelgenomen aan enkele demonstraties gericht tegen de Iraanse autoriteiten en over politieke thema’s heeft gepost op zijn Instagrampagina. Dat deze activiteiten zijn ingegeven door een fundamentele politieke overtuiging volgt de minister niet. Evenmin volgt de minister dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn of zullen raken van de activiteiten en uitlatingen van eiser op religieus en politiek vlak, waardoor hij niet in de verhoogde aandacht van die autoriteiten staat of zal komen te staan. De als geloofwaardig aangemerkte verklaringen leiden volgens de minister niet tot een gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin dan wel een reëel risico op ernstige schade. Verder heeft eiser niet aan de hand van individuele feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer als gevolg van de situatie op de luchthaven van Teheran te vrezen heeft, aldus de minister.
Aanvullende motivering van 18 augustus 2025
5.1.
De minister vult het besluit van 30 juni 2023 op 18 augustus 2025 qua motivering aan voor wat betreft de situatie en risico’s bij terugkeer van eiser op de luchthaven van Teheran. Daarbij gaat de minister in op wat daarover blijkt uit het algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023. Verder neemt de minister – mede onder verwijzing naar Informatiebericht 2024/10 – niet langer het standpunt in dat niet is gebleken dat bij eiser sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. De minister acht het geloofwaardig dat eiser een politieke overtuiging heeft en dat hij in dat verband heeft meegedaan aan enkele demonstraties in Nederland en daarover berichten heeft geplaatst op Instagram. De minister blijft echter bij zijn standpunt dat hij het niet aannemelijk acht dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.
Het gevolg van de aanvullende motivering van 18 augustus 2025
6. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen, in die zin dat deze geen verandering in de rechtspositie van eiser heeft gebracht ten opzichte van het bestreden besluit van 30 juni 2023. De minister heeft volhard in de afwijzing van de asielaanvraag van eiser onder aanvulling van de motivering. Dit kan daarom niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar moet worden beschouwd als een aanvullende motivering van het bestreden besluit. Nu de minister het noodzakelijk achtte het bestreden besluit van een aanvullende motivering te voorzien, ligt daarin besloten dat de motivering in het bestreden besluit ontoereikend was. Het bestreden besluit kent dan ook een motiveringsgebrek. Het beroep is alleen al daarom gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daarbij wordt de aanvullende motivering betrokken.
De beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen
7. De rechtbank stelt vast dat eiser het standpunt van de minister dat zijn verklaringen over problemen van leden van de huiskerk in Iran tijdens zijn verblijf in Nederland en over zijn politieke activiteiten in Iran en problemen met de autoriteiten niet geloofwaardig zijn, niet betwist.
7.1.
Wel betwist eiser het standpunt van de minister dat geen geloof kan worden gehecht aan zijn verklaringen dat hij zich heeft afgewend van de islam, hem die afwending wordt toegedicht en hij is bekeerd tot het christendom. De minister heeft eisers verklaringen hierover op eigen merites, en conform de beoordelingskaders die daarvoor gelden, [6] op geloofwaardigheid beoordeeld, maar daarbij ook van belang geacht zijn conclusie dat eiser zijn asielrelaas (voor wat betreft afvalligheid en bekering) heeft gekocht en voorafgaand aan zijn asielaanvraag onder begeleiding van een juridisch adviseur heeft ingestudeerd, zodat van een authentiek asielrelaas geen sprake is. De minister baseert die conclusie op het strafrechtelijk onderzoek van de KMar dat heeft geresulteerd in het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 juli 2020 en dat wat eiser in het kader van zijn asielaanvraag tegenover hem heeft verklaard. De minister heeft in beroep verduidelijkt dat zijn standpunt in de besluitvorming zo moet worden opgevat dat de conclusie dat sprake is geweest van een gekocht en ingestudeerd, en dus niet-authentiek asielrelaas, alle verklaringen van eiser in een bepaald daglicht zet en ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid die in zijn algemeenheid van eiser uitgaat.
Het ‘gekocht asielrelaas’-argument
8. Uit het strafrechtelijk onderzoek van de KMar, dat heeft geresulteerd in het rechtbankvonnis van 14 juli 2020, blijkt volgens de minister dat eiser één van de personen is geweest die (vrijwillig) gebruik heeft gemaakt van de diensten van de juridisch adviseur. [7] Eiser heeft een asielaanvraag ingediend op grond van een gekocht en voorafgaand aan zijn aanvraag ingestudeerd, en dus niet-authentiek asielrelaas. De minister noemt onder andere de volgende feiten en omstandigheden en constateringen, waaruit volgens hem volgt dat van een geloofwaardige afvalligheid en een oprechte bekering tot het christendom bij eiser geen sprake is:
- Uit bij het strafrechtelijk onderzoek inbeslaggenomen stukken blijkt dat eisers moeder ten behoeve van eiser, en voordat hij zijn asielaanvraag indiende, meerdere keren contact heeft gehad met de juridisch adviseur over een verblijfsvergunning voor eiser. [8] Eisers moeder heeft van de juridisch adviseur de garantie gekregen voor het verkrijgen van een status door eiser, voordat de juridisch adviseur überhaupt wist van een asielrelaas van eiser. [9] Het eerste contact tussen eisers moeder en de juridisch adviseur was op 10 oktober 2017. De diensten van de juridisch adviseur zijn vastgelegd in het (in het Farsi opgestelde) contract van 18 oktober 2017. [10] Eiser heeft zich (bewust) niet eerder dan op 3 november 2017 gemeld bij de IND. Uit de inbeslaggenomen agenda van de juridisch adviseur blijkt dat eiser en de juridisch adviseur verschillende afspraken hebben gehad in oktober, november en december 2017. [11]
  • De chronologie van contactmomenten met de juridisch adviseur komt niet overeen met de verklaringen van eiser over de reden van zijn asielaanvraag. Gelet op eisers verklaringen zou hij rond 26 oktober 2017 dan wel een paar dagen voor de afloop van de geldigheid van zijn visum op 3 november 2017 via een telefoontje met de voorganger van de huiskerk in Iran op de hoogte zijn geraakt van de arrestatie van christelijke vrienden, waardoor zijn vrees voor problemen bij terugkeer is ontstaan. Eiser heeft echter op 10 oktober 2017, via zijn moeder, te kennen gegeven in Nederland te willen blijven en de juridisch adviseur benaderd voor bijstand tijdens de asielprocedure, die op 18 oktober 2017 contractueel is vastgelegd. Het contract voor bijstand tijdens de asielprocedure bestond daarmee al ten tijde van de door eiser gestelde problemen.
  • Uit de weergave van gesprekken tussen (de moeder van) eiser en de juridisch adviseur in oktober en november 2017
- Uit weergaven van telefoongesprekken blijkt dat contact met de juridisch adviseur niet is gelegd vanwege een mogelijk gevaar voor eiser bij terugkeer naar Iran. [15]
- Tijdens een verhoor op 13 maart 2018 [16] bevestigt eisers moeder onder andere dat eiser zich niet daadwerkelijk van de islam heeft afgekeerd en is bekeerd, maar dat hij zijn asielrelaas heeft gekocht en ingestudeerd. Eiser heeft tijdens een verhoor op diezelfde dag [17] ontkend wat zijn moeder heeft verklaard, maar bevestigd dat hij een contract heeft afgesloten met de juridisch adviseur, met hem heeft gesproken over de reden van zijn asielaanvraag en dat hij zich moest gaan melden bij de IND.
- Eiser heeft bij de IND geen gewag gemaakt van het strafrechtelijk onderzoek door de KMar, zijn verhoor als getuige in een onderzoek naar mensensmokkel (op 13 maart 2018) en de bijstand van en contacten met de juridisch adviseur. [18] Eiser heeft tijdens het verhoor door de KMar verklaard dat de juridisch adviseur zijn advocaat was, met wie hij over zijn asielaanvraag en aanmelding had gesproken. [19]
- De verklaringen van eiser tijdens het aanvullend gehoor van 20 september 2021 over het eerste contact en contract met de juridisch adviseur [20] komen niet overeen met dat wat uit bewijs blijkt en met wat eiser heeft verklaard tijdens het verhoor door de KMar.
- De verklaringen van eiser bij het verhoor door de KMar, het aanvullend gehoor op 20 september 2021 en de zienswijze van 13 juli 2021 dat zijn moeder tot het verhoor bij de KMar niet wist van zijn bekering in Iran, rijmt met zijn (niet gecorrigeerde) verklaringen tijdens het nader gehoor. [21]
De minister volgt eiser niet in zijn verklaringen dat hij nergens van zou hebben geweten, dat het zijn moeder was die alles voor hem regelde en dat hij niet wist hoe de asielprocedure in Nederland georganiseerd was.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep niets wezenlijks aanvoert tegen de conclusies die de minister trekt op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en dat wat eiser zelf bij de minister heeft verklaard. In zoverre betwist eiser het bestreden besluit dus niet. De minister heeft bij zijn conclusie dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend op grond van een gekocht en voorafgaand aan zijn aanvraag ingestudeerd, en dus niet-authentiek asielrelaas naar het oordeel van de rechtbank in het bijzonder van belang mogen achten dat eisers moeder tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard dat eiser het asielverhaal is aangedragen door de juridisch adviseur en eiser niet is bekeerd tot het christendom, maar hij dat moest zeggen van de juridisch adviseur die een case voor eiser scheef en deze met hem oefende. Dat geldt ook voor het feit dat eiser tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft erkend dat hij met de juridisch adviseur heeft geoefend. Verder acht de rechtbank de chronologie van gebeurtenissen zoals die uit het strafrechtelijk onderzoek volgen over het contact tussen eiser, zijn moeder en de juridisch adviseur, afgezet tegen de verklaringen van eiser over de reden waarom hij in Nederland om bescherming vroeg (de arrestatie van zijn christelijke vrienden in Iran), in het oog springend. Met het enkele argument dat eiser dacht dat de juridisch adviseur een advocaat was en dat hij wel degelijk naar waarheid over zijn afvalligheid en bekering heeft verklaard, heeft eiser de conclusie van de minister dat hij zich heeft bediend van een niet-authentiek asielrelaas geenszins weerlegd. Voor zover eiser in beroep verwijst naar alles wat hij eerder naar voren heeft gebracht, en in het bijzonder naar zijn zienswijze van 30 mei 2023, stelt de rechtbank vast dat de minister daarop in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan. Eiser stelt noch onderbouwt dat dat niet of onvoldoende het geval zou zijn. Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op dat wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht.
8.1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank neemt de minister terecht het standpunt in dat de conclusie dat sprake is geweest van een gekocht asielrelaas, waarbij eiser hulp heeft gekregen bij het instuderen daarvan met als doel een asielvergunning te verkrijgen, de verklaringen van eiser over zijn afwending van de islam en zijn bekering tot het christendom in een bepaald daglicht stelt, in die zin dat het op voorhand ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van die verklaringen.
8.1.2.
Anders dan eiser betoogt, doet het ‘gekochte asielrelaas’-argument niet alleen op voorhand afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn bekering tot het christendom en de gestelde problemen die daaruit zouden zijn voortgekomen, maar ook aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn afvalligheid. Zo volgt uit het strafrechtelijk onderzoek bijvoorbeeld dat de juridisch adviseur eiser ook het een en ander heeft ingefluisterd over hoe hij bij de IND moest verklaren over zijn kritiek op de Koran. [22] Dat het ‘gekochte asielrelaas’-argument niet zou mogen worden betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen over afvalligheid volgt de rechtbank dan ook niet. Deze tegenwerping heeft ook invloed op de geloofwaardigheid van die verklaringen en doet daaraan op voorhand (ernstig) afbreuk.
De beoordeling van de verklaringen over afvalligheid en bekering op eigen merites
9. Zoals al benoemd, heeft de minister de verklaringen van eiser over afvalligheid en bekering tot het christendom ook op zichzelf op geloofwaardigheid beoordeeld, en dus los van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en de conclusies die de minister daaraan verbindt. Al voordat de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek bij de minister bekend werden, had de minister (in het voornemen van 11 augustus 2002) het standpunt ingenomen dat aan eisers verklaringen over (toegedichte) afvalligheid en bekering geen geloof wordt gehecht. Omdat de minister de aanvraag niet enkel heeft afgewezen op grond van het ‘gekocht asielrelaas’-argument zal de rechtbank de gronden die eiser tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft aangevoerd hieronder bespreken.
Afvalligheid van de islam
9.1.
De minister acht ook om de volgende (samengevatte) redenen eisers verklaringen over zijn afvalligheid niet geloofwaardig. Eiser heeft toerekenbaar tegenstrijdig dan wel wisselend verklaard over het moment waarop hij afstand heeft gedaan van de islam als zijnde zijn religie. Ook heeft eiser met zijn verklaringen onvoldoende blijk gegeven van een in dat verband doorgemaakt innerlijk proces en dieperliggende motieven waarom de islam voor hem persoonlijk niet meer voldeed. Eiser heeft namelijk algemeen, oppervlakkig en ongerijmd verklaard over (zijn beweegredenen voor) zijn afwending van de islam, waaronder het bezoek van zijn moeder, haar kritiek op de islam en zijn eigen onderzoek, terwijl van eiser hierover eenduidige, concrete, persoonlijke en dieperliggende verklaringen verwacht mogen worden. Hierbij betrekt de minister eisers verklaring dat hij jarenlang onderzoek naar de islam zou hebben verricht en de positie van de islam enerzijds als zijnde staatsgodsdienst in Iran en anderzijds in het leven en de opvoeding van eiser zelf. Eiser heeft daarmee geen toereikende, overtuigende en plausibele verklaringen afgelegd over zijn keuze voor het verlaten van zijn religie, zeker als zeer praktiserend moslim. In het verlengde hiervan heeft eiser ook niet laten zien dat hij over diepgaande kennis beschikt als grondslag voor zijn gestelde afwending. Verder heeft eiser wisselend en opmerkelijk verklaard over activiteiten in het kader van zijn afvalligheid en wisselend verklaard over wie hij heeft verteld over het zich hebben afgekeerd van de islam. Daarom is het voor de minister ongeloofwaardig dat eiser afstand heeft gedaan van zijn religie voordat hij zich zou hebben bekeerd tot het christendom. Hierbij merkt de minister nog op dat het zich afwenden van de islam voor eiser geen reden is geweest om Iran te verlaten.
Toegedichte afvalligheid
9.1.1.
De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan hem afvalligheid is of zal worden toegedicht. Omdat niet wordt gevolgd dat eiser de islam heeft verlaten, kan dit niet de reden zijn voor het hem toedichten van afvalligheid. Daar waar eiser stelt dat hem afvalligheid zal worden toegedicht omdat hij niet meer deelneemt aan gebruiken van de islam, is van belang dat eiser niet eenduidig kan verklaren over het moment van het niet meer praktiseren van de islam terwijl dit samenhangt met de door hem gestelde afvalligheid. Omdat de afwending van de islam niet wordt gevolgd, zet dit het niet meer deelnemen aan de gebruiken in dat verband ook in een ander daglicht. Hierbij merkt de minister nog op dat het niet meer belijden van de islam eerder niet tot problemen leidde voor eiser en dit voor hem ook geen reden was om Iran te verlaten, aldus de minister. [23]
Bekering tot het christendom
9.1.2.
De minister hecht evenmin geloof aan de verklaring van eiser dat hij is bekeerd tot het christendom. [24] Naast het feit dat eiser een asielrelaas heeft gekocht, vindt de minister de verklaringen van eiser hierover ook om de volgende (samengevatte) redenen onvoldoende en niet overtuigend. Eiser heeft over zijn motieven voor en het proces van bekering algemene, vage en oppervlakkige verklaringen afgelegd. Van eiser mag worden verwacht dat hij duidelijk verklaart over zijn keuze voor het christendom. Ook moet hij met zijn verklaringen inzicht geven in het (innerlijke) proces van bekering, waarbij hij de beginsituatie omschrijft en inzichtelijk maakt wat ertoe heeft geleid dat hij voor deze ingrijpende weg heeft gekozen, en in de betekenis die zijn nieuwe geloofsovertuiging voor hem heeft. Dat heeft eiser niet gedaan. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn verklaringen over zijn motieven voor en het proces van bekering. Daarbij speelt een rol dat eiser niet geloofwaardig heeft verklaard over zijn afwending van de islam. Van een toereikende verklaring als gevolg waarvan eiser niet in staat zou zijn geweest genoegzaam over de motieven voor en het proces van bekering te verklaren, is niet gebleken. Wel heeft eiser laten zien kennis van het christendom te hebben. Gelet op eisers verklaringen mag van hem ook veel kennis worden verwacht. Eiser is er echter niet in geslaagd overtuigend te verklaren over zijn persoonlijke beleving en eigen ervaringen ten aanzien van die kennis. De kennis die eiser heeft kan door iedereen worden opgedaan, ook zonder dat sprake is van een oprechte bekering. Het gaat om de eigen ervaringen en persoonlijke beleving en invulling, zoals wat eiser met de kennis van het geloof doet in zijn dagelijks leven en wat dat voor hem betekent. Dat mist in eisers verklaringen. Ook ten aanzien van de kennis van het geloof, komt eiser niet met persoonlijke verklaringen tot een authentiek verhaal. Voor wat betreft de activiteiten die eiser binnen de nieuwe geloofsovertuiging onderneemt en het effect van de veranderingen, neemt de minister aan dat eiser activiteiten ontplooit in het kader van zijn (gesteld) nieuwe geloofsovertuiging, zoals bezoek van kerkdiensten. Dit wordt ook ondersteund door verklaringen van derden. De verklaringen van eiser over het effect van zijn bekering en deze activiteiten op zijn dagelijks leven en de betekenis die hij daaraan geeft, zijn echter onvoldoende. Ook hier mist het authentieke verhaal. Bovendien noemt eiser als effect van zijn leven als christen dat hij als christen niet mag liegen en dat ook niet doet. Het feit dat eiser tijdens zijn asielprocedure doelbewust informatie heeft achtergehouden en niet conform de waarheid heeft verklaard doet echter groot afbreuk aan die verklaring. Dat eiser activiteiten binnen het geloof ontplooit, geeft nog geen blijk van een diepgewortelde innerlijke overtuiging en daarmee een geloofwaardige bekering. De verklaringen van derden en andere stukken die eiser ter onderbouwing van zijn bekering heeft ingebracht, dragen ook onvoldoende bij aan een overtuigend proces van bekering en inzicht in de motieven daarvoor.
Oordeel van de rechtbank
9.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep niet onderbouwt waarom de specifieke tegenwerpingen van de minister, die ten grondslag liggen aan het ongeloofwaardig achten van zijn verklaringen over (toegedichte) afvalligheid en bekering, onjuist of ondeugdelijk gemotiveerd zijn. Eiser wijst er nogmaals op dat hij wel degelijk afvallig is en is bekeerd en waaruit dat zou blijken, maar herhaalt in essentie wat hij hierover gedurende de procedure al tegenover de minister heeft verklaard tijdens gehoren en daarna naar voren heeft gebracht. Dat heeft de minister bij de besluitvorming betrokken en vormt geen gemotiveerde betwisting van het standpunt van de minister op deze onderdelen in de besluitvorming. Dat eiser in beroep zijn verklaringen over zijn afvalligheid en bekering hier en daar nader duidt of aanvult doet daar niet aan af. Daarmee bestrijdt eiser niet de tegenwerpingen van de minister dat hij op meerdere punten tegenstrijdige, wisselende, oppervlakkige, ongerijmde, algemene en opmerkelijke verklaringen heeft afgelegd.
9.3.
Het betoog van eiser dat de minister bij de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de werking en de betrouwbaarheid van het geheugen onder invloed van trauma, tijdsverloop en stress in zijn algemeenheid [25] en – mede gelet op zijn psychische toestand – met de werking van zijn geheugen in het bijzonder, daar waar het ziet op het terughalen van herinneringen en geven van data, volgt de rechtbank niet. Voordat eiser voor de eerste keer werd gehoord over zijn asielaanvraag, is een ‘medisch Advies horen en beslissen’ uitgebracht door de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU). Uit dat advies van 8 december 2017 volgt dat het FMMU bij eiser medische klachten constateerde, maar ook concludeerde dat daaruit geen beperkingen voortvloeien die relevant zijn voor het horen en beslissen. De stukken waarnaar eiser heeft verwezen en ook de verslagen van de gehouden gehoren, geven er geen blijk van dat die conclusie onjuist of ondeugdelijk was. Hoewel het een gedateerd advies is, geven de verschillende gehoorverslagen en ook dat wat eiser aan medische gegevens heeft overgelegd er geen blijk van dat eiser niet gehoord had kunnen worden of dat de minister nadien een nieuw medisch advies in het kader van het horen en beslissen had moeten vragen. Dat wat de minister uit het overgelegde patiëntendossier afleidt, bijvoorbeeld dat eiser momenteel niet onder (specialistische) medische behandeling staat en het patiëntendossier op de data waarop de gehoren plaatsvonden geen melding maakt van specifieke medische problemen waardoor eiser niet gehoord kon worden, betwist eiser niet. De rechtbank volgt de minister erin dat gelet op wat eiser heeft overgelegd, er geen redenen zijn om aan te nemen dat eiser als gevolg van medische omstandigheden op enig moment niet kon worden gehoord of dat (gaandeweg de procedure) onvoldoende rekening is gehouden met wat bekend was over eisers medische toestand. Tijdens het laatste gehoor (op 16 juli 2025) maakt eiser weliswaar melding van geheugenproblemen en medicatiegebruik in de vorm van Setraline, maar uit dat gehoor blijkt niet dat eiser niet goed zou hebben kunnen verklaren. Hoewel eiser dat stelt, heeft hij niet onderbouwd dat inconsistente verklaringen het gevolg (zouden kunnen) zijn van medicatiegebruik. Zonder nadere onderbouwing daarvan, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat uit de bijsluiter bij het medicijn Setraline (die niet is overlegd) zou volgen dat een bijwerking van dat medicijn geheugenverlies is. De minister heeft in de gestelde geheugenproblematiek dan wel psychische toestand van eiser geen verklaring hoeven zien voor bepaalde tegenstrijdige of ongerijmde verklaringen. Hetzelfde geldt voor het referentiekader van eiser. Met de enkele stelling van eiser dat hij een beperkte opleiding zou hebben genoten, heeft hij geen afdoende verklaring gegeven voor de tegenstrijdige verklaringen die hij heeft afgelegd over het moment waarop hij zich zou hebben afgewend van de islam.
9.4.
Eisers huidige levensstijl, gedragingen en uiterlijk maken evenmin dat de minister zijn afvalligheid moet geloven of dat, mede gelet op de Iraanse politiek-religieuze context, niet langer kan worden volgehouden dat hij niet (toegedicht) afvallig is. Eiser wijst in dit verband onder andere op zijn activiteiten op Instagram, zijn kerkgang en het feit dat hij is gedoopt, het niet volgen van verplichte gebruiken en rituelen binnen het islamitische geloof, zijn politieke overtuiging en het niet hebben van een baard, het hebben van lange haren, het eten van varkensvlees en het drinken van alcohol. De minister overweegt echter terecht dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers afvalligheid het zwaartepunt ligt bij zijn eigen verklaringen. De uiterlijke verschijningsvormen waarop eiser wijst, kunnen aan de geloofwaardigheid daarvan wellicht tot op zekere hoogte bijdragen, maar omdat het ook mogelijk is om uiterlijke verschijningsvormen na te bootsen zonder een innerlijke overtuiging, is die bijdrage beperkt. Dat en waarom eiser niet heeft kunnen overtuigen in zijn verklaring dat hij afvallig is, heeft de minister, zoals hiervoor uiteengezet, voldoende deugdelijk en conform het daarvoor geldende beoordelingskader gemotiveerd. Onder die omstandigheden heeft de minister weinig waarde hoeven toekennen aan de verklaringen van eiser over zijn huidige levensstijl, gedragingen en uiterlijk. Bij het voorgaande wil de rechtbank niet onopgemerkt laten dat het feit dat eiser een asielrelaas heeft ‘gekocht’ ook een rol speelt bij de geloofwaardigheid van de gestelde afvalligheid en in dat verband zwaar weegt. [26] Voor wat betreft zijn verklaringen over zijn levensstijl, gedragingen en uiterlijk bouwt eiser zelf nog steeds voort op een als niet-authentiek aangemerkt asielrelaas. Het voorgaande geldt ook voor eisers stelling dat hij een politieke mening heeft die moeilijk verenigbaar lijkt te zijn met het religieuze fundament van de Iraanse autoriteiten. Ook dat kan op zichzelf nog niet leiden tot de conclusie dat het geloofwaardig is dat eiser zich heeft afgewend van de islam
.De minister wijst er terecht op dat een beoordeling van de geloofwaardig van een gestelde afvalligheid een ander beoordelingskader kent dan dat van een politieke overtuiging. Voor zover eiser meent dat hij in Iran gevaar loopt als hij zijn huidige levensstijl en gedragingen bij terugkeer voortzet, verwacht de minister niet ten onrechte dat eiser zich weer kan houden aan de normen van de Iraanse maatschappij. De minister heeft immers niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser afvallig is, terwijl uit het onderzoek naar de juridisch adviseur en uit de gehoren volgt dat godsdienst geen reden was om uit Iran te vertrekken en dus ook geen beletsel om terug te keren. Daar waar eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024 [27] , merkt de rechtbank op dat in dat geval de afvalligheid geloofwaardig was geacht. Van een geloofwaardige afvalligheid is in eisers geval geen sprake. Het beroep op die uitspraak gaat dus niet op.
9.5.
Dat de minister de afvalligheid van eiser, mede gelet op het tijdsverloop sinds de asielaanvraag, opnieuw had moeten beoordelen, [28] volgt de rechtbank niet. De situatie zoals aan de orde in de uitspraak van zittingsplaats Zwolle is een andere, maar los daarvan is eiser sinds zijn asielaanvraag meermaals gehoord en bevraagd over zijn afvalligheid. Naar het oordeel van de rechtbank ligt er een voldoende actuele beoordeling van de door eiser gestelde afvalligheid.
Tussenconclusie
10. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen geloof kan worden gehecht aan de verklaringen van eiser dat hij zich heeft afgewend van de islam en dat hij is bekeerd tot het christendom.
De beoordeling van de vrees bij terugkeer vanwege eisers politieke overtuiging
Standpunt van de minister
11. Aanvankelijk stelt de minister zich op het standpunt dat niet is gebleken dat de politieke activiteiten die eiser in Nederland verricht (deelname aan enkele demonstraties en posten op Instagram) voortkomen uit een fundamentele politieke overtuiging alsook dat niet is gebleken dat eiser als gevolg van zijn politieke activiteiten en uitingen in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat of zal komen te staan.
In de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 neemt de minister over de politieke overtuiging van eiser kort gezegd het volgende, en dus deels gewijzigde, standpunt in. De minister acht het geloofwaardig dat eiser een politieke overtuiging heeft, namelijk dat eiser vindt dat het Iraanse regime moet verdwijnen en hij een seculiere staat wenst. Ook acht de minister het geloofwaardig dat eiser aan enkele demonstraties in Nederland heeft meegedaan en dat hij over politieke thema’s heeft gepost op sociale media. Van een sterke politieke overtuiging bij eiser is volgens de minister echter niet gebleken. De minister acht het bovendien niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de politieke activiteiten van eiser en dus ook niet dat hij om die reden in de verhoogde aandacht van die autoriteiten staat. Volgens de minister is het evenmin aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Iran als gevolg van eventuele toekomstige activiteiten alsnog in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten zal komen staan. Van een reden om eiser internationale bescherming te verlenen vanwege zijn politieke overtuiging is volgens de minister dan ook (nog altijd) niet gebleken. De minister merkt ook in dit verband op dat de conclusie dat sprake is van een gekocht asielrelaas, sterk afbreuk doet aan de algehele oprechtheid van eiser.
Betoog van eiser
11.1.
Eiser betoogt aanvankelijk dat de minister ten onrechte een
fundamentelepolitieke overtuiging verlangt [29] en dat de minister zich gelet op zijn verklaringen en bezien binnen de context van Iran bovendien ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van een fundamentele politieke overtuiging. [30] Verder miskent de minister volgens eiser dat zijn politieke en religieuze mening onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Afvalligheid wordt gezien als een mening die niet overeenstemt met het grondbeginsel van de islamitische republiek. Ook is zijn politieke mening gemotiveerd vanuit zijn familieachtergrond. Het feit dat zijn eerdere Instagram-account door acties van de Iraanse cyberpolitie is gewist, geeft volgens eiser bovendien blijk van een persoonlijke aandacht voor hem van de zijde van de Iraanse autoriteiten. Ten aanzien van de overweging van de minister dat zijn politieke activiteiten enkel zouden zijn ingegeven door de wens om in het bezit te raken van een verblijfsvergunning, verwijst eiser naar rechtspraak van de Afdeling. [31]
Over de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 betoogt eiser – samengevat weergegeven – dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat geen sprake is van een sterke politieke overtuiging. Volgens eiser is namelijk wel degelijk sprake van een diepgewortelde politieke overtuiging die niet overeenkomt met de heersende politieke en religieuze overtuiging van de Iraanse autoriteiten en behoeft die overtuiging bescherming. [32] In dat verband wijst eiser erop dat hij op zijn nieuwe Instagram-account veelvuldig berichten plaatst over (in zijn ogen) wandaden van de Iraanse autoriteiten, die ook worden bekeken, en dat hij meer heeft gedemonstreerd dan waar de minister van uitgaat.
Oordeel van de rechtbank
11.2.
Het betoog van eiser dat de minister ten onrechte de eis stelt dat sprake moet zijn van een fundamentele politieke overtuiging en zich ten onrechte op het standpunt stelt dat daarvan bij eiser niet is gebleken, zal de rechtbank niet bespreken. De minister heeft met de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 te kennen gegeven dat die eis niet langer wordt gesteld en dat wordt aangenomen dat eiser (tot op zekere hoogte) een politieke overtuiging heeft. Het zal hierna dus gaan om de beoordeling van de vrees in dat verband.
11.3.
Op de zitting heeft minister de overweging in de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 desgevraagd verduidelijkt. Niet is bedoeld het standpunt in te nemen dat eiser behoort tot het risicoprofiel dat hij politiek, maatschappelijk of journalistiek actief is als bedoeld in paragraaf C7/17.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. De individuele situatie van eiser moet beoordeeld worden, wat in de besluitvorming ook is gedaan, aldus de minister. Mede gelet op wat hieronder wordt besproken, volgt de rechtbank de minister daarin.
11.4.
Eisers beroepsgronden slagen niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees heeft om persoonlijk te worden vervolgd vanwege zijn politieke overtuiging. [33]
11.4.1.
Hierbij is allereerst van belang dat niet is gebleken dat eiser voor zijn uitreis in de negatieve belangstelling stond van de Iraanse autoriteiten. Vaststaat dat eiser Iran in 2017 legaal heeft verlaten en de minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij in zijn aanvankelijke gehoren in het geheel niet heeft verklaard dat hij in Iran politiek actief zou zijn geweest en daardoor problemen zou hebben ondervonden. Zijn verklaring in de latere gehoren over die problemen heeft de minister mede om die reden ongeloofwaardig kunnen achten. De tegenwerpingen van de minister heeft eiser ook niet betwist.
Verder stelt de minister zich terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de politieke activiteiten en uitingen van eiser in Nederland en hij daarom op dit moment in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten zou staan.
Het algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023 beschrijft dat politiek activisten in het buitenland gemonitord kunnen worden. [34] Met de minister is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op eisers profiel en de praktische onmogelijkheid om alle Iraniërs in het buitenland (met een politieke mening) te monitoren, niet aannemelijk is te achten dat eiser in dat verband bij de Iraanse autoriteiten is opgevallen. [35] Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser geen lid is van een officiële politieke organisatie of beweging en niet is gebleken dat eiser bekendheid geniet in de Iraanse publieke ruimte. Ook heeft de minister het ervoor mogen houden dat eiser slechts een aantal keer aan een demonstratie in Nederland heeft deelgenomen en hij daarin geen organiserende of anderszins prominente rol had. De stelling dat hij aan 30 à 40 demonstraties tegen de Iraanse autoriteiten heeft deelgenomen, heeft eiser onvoldoende onderbouwd. Verder zijn foto’s en opnames van demonstraties volgens eisers verklaring alleen binnen een WhatsApp-groep bekend. [36] Met de minister constateert de rechtbank dat eiser zijn stelling dat hij herkenbaar demonstrerend te zien zou zijn (geweest) op de (gesteld regeringsgezinde) website ‘[website 1]’ niet heeft onderbouwd met bijvoorbeeld een link naar die website. De minister overweegt verder terecht dat eiser slechts een beperkt bereik heeft op sociale media en betrekt dat terecht bij zijn beoordeling. De aantallen volgers, views en likes waarover eiser het heeft, duiden niet op grote aandacht voor zijn profiel en berichten. De minister heeft ook van belang kunnen achten dat eisers huidige Instagram-account niet op hem persoonlijk is terug te voeren omdat zijn eigen naam niet in de accountnaam wordt genoemd en de profielfoto geen foto van eiser bevat. Voor zover eiser op dat account herkenbaar in beeld zou zijn, is relevant dat de Iraanse autoriteiten geen gebruik maken van gezichtsherkenningstechnieken in het buitenland. [37] Anders dan eiser stelt, kan uit de overgelegde screenshots van Instagram-posts (die niet officieel zijn vertaald) niet worden afgeleid dat de Iraanse cybersecurity-diensten bewust eisers oude Instagram-account hebben gecontamineerd waardoor dit account is verwijderd. Dat geldt ook voor het overgelegde screenshot van het bericht dat eiser op zijn oude Instagram-account had ontvangen. Dat heeft de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd. Dat de Iraanse autoriteiten eiser in het vizier zouden hebben vanwege deelname aan enkele demonstraties en/of activiteiten op sociale media, is dan ook niet aannemelijk.
11.4.2.
De minister heeft het evenmin aannemelijk hoeven achten dat eiser zich bij terugkeer in Iran op een manier zal uiten waardoor hij alsnog in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten zal komen te staan en daardoor te vrezen heeft voor vervolging. Ook dat heeft de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd.
Daarbij acht de minister terecht van belang dat eiser aanvankelijk vrij onduidelijk verklaart over hoe hij zich politiek zou willen uiten bij terugkeer [38] alsook dat het ongeloofwaardig is geacht dat eiser in Iran aan demonstraties heeft deelgenomen. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat van een sterke politieke overtuiging bij eiser niet is gebleken. Ook in dat verband speelt een rol dat eisers verklaring dat hij in Iran al politiek actief is geweest, niet geloofwaardig is bevonden. De minister overweegt terecht dat eisers gestelde sterke politieke overtuiging ook niet blijkt uit zijn verklaringen over zijn deelname aan demonstraties, waarbij de minister het ervoor heeft mogen houden dat eiser in Nederland een aantal demonstraties heeft bijgewoond als deelnemer. Verder mocht de minister bij zijn beoordeling betrekken dat eiser (ook in het recente gehoor van 16 juli 2025) vrij summier en oppervlakkig verklaart over wat zijn politieke overtuiging inhoudt en waarom het voor hem belangrijk is om politiek actief te zijn en blijven
.De minister verwacht niet ten onrechte van eiser dat hij over zijn politieke opvattingen die aan zijn politieke uitingen ten grondslag liggen uitgebreider en gedetailleerder kan verklaren dan hij heeft gedaan. Eiser stelt immers zelf dat hij al in Iran een politieke overtuiging heeft ontwikkeld, dat hij zijn politieke activiteiten in Nederland heeft geïntensiveerd en dat zijn politieke overtuiging diepgeworteld is. Ook mocht de minister bij zijn beoordeling betrekken dat de tijdlijn en handelswijze van eiser erop lijken te duiden dat de activiteiten die eiser in het kader van zijn politieke overtuiging verricht, niet zozeer zijn ingegeven door een intrinsieke motivatie achter zijn politieke overtuiging, maar vanuit de wens en met als doel om in het bezit te raken van een verblijfsvergunning. Dat mocht de minister baseren op de constatering dat eiser in Nederland pas aan demonstraties is gaan deelnemen drie jaar na zijn asielaanvraag en nadat aan hem een voornemen tot afwijzing van zijn asielaanvraag bekend was gemaakt, terwijl eiser ook heeft verklaard dat hij in Iran heeft gedemonstreerd en hij zijn politieke mening daar al wilde uiten maar dat niet kon uit angst voor de autoriteiten. Verder constateert de minister in dit verband terecht dat eiser zijn (politieke) activiteiten op sociale media gaandeweg, en vooral nadat hij werd geconfronteerd met een (voorgenomen) afwijzing van zijn asielaanvraag, is gaan intensiveren. De rechtbank acht het onder die omstandigheden niet onterecht dat de minister bij zijn beoordeling betrekt dat de activiteiten die eiser in het kader van zijn politieke overtuiging verricht en de intensiteit daarvan, van doelmatige, instrumentele aard lijken te zijn en in mindere mate zijn ingegeven door een intrinsieke motivatie vanuit een sterke politieke overtuiging. Anders dan eiser veronderstelt, werpt de minister hem hiermee geen misbruik van recht tegen. De verwijzing van eiser naar de Afdelingsuitspraken van 11 februari 2016 en 29 mei 2024 treft dan ook geen doel.
Onder de hiervoor genoemde omstandigheden acht de minister het terecht weinig aannemelijk dat eiser bij terugkeer zijn politieke activiteiten (het plaatsen van politiek getinte berichten op Instagram en demonstreren) zal voortzetten op de manier waarop en de mate waarin hij dat nu (gesteld) doet. Los daarvan volgt uit de aard en intensiteit van eisers huidige politieke activiteiten niet dat hij grote risico’s zou lopen in Iran als hij dat wel zou doen. Dat dat wel het geval is, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. In dat verband wijst de minister er nog terecht op dat zich bij eiser geen factoren voordoen die het risico op vervolging bij deelname aan demonstraties vergroten. Eiser geniet geen bekendheid in de publieke ruimte en heeft een gering bereik op sociale media. De minister acht het dan ook terecht niet aannemelijk dat eiser vanwege eventuele toekomstige activiteiten in Iran in de problemen komt vanwege kritische uitingen op sociale media of anderszins.
De beoordeling van het risico op problemen bij terugkeer op de luchthaven
Standpunt van de minister
12. Het standpunt van de minister over de risico’s die eiser loopt bij terugkeer op de luchthaven van Teheran luidt na de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 – kort weergegeven – als volgt. Eiser heeft niet aan hand van individuele feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de situatie op de luchthaven bij terugkeer te vrezen heeft
.Volgens landeninformatie wordt niet iedere Iraniër bij terugkeer ondervraagd door de autoriteiten. [39] Veel van de factoren die in dat verband een risico opleveren, doen zich bij eiser niet voor. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij al in de verhoogde belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat en evenmin dat zij op de hoogte zijn van zijn asielaanvraag. Eiser heeft geen dubbele nationaliteit en niet wordt ingezien dat eiser niet op een nieuw aan te vragen paspoort kan terugkeren. Het is dan ook niet aannemelijk dat hij zal worden ondervraagd. Bovendien blijkt niet dat terugkerende afgewezen asielzoekers die wel worden ondervraagd, systematisch te maken krijgen met of hebben te vrezen voor zwaarwegende problemen. Eventuele monitoring van eiser door de Iraanse autoriteiten nadat hij de luchthaven heeft verlaten – die de minister onwaarschijnlijk acht – maakt de beoordeling van het risico niet anders omdat niet wordt aangenomen dat eiser in religieus of politiek verband de negatieve aandacht van de autoriteiten op zich zal vestigen. De minister verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt nog naar een uitspraak van deze rechtbank. [40]
Betoog van eiser
12.1.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij bij aankomst op het vliegveld in Iran geen grote risico’s loopt. Volgens eiser is het wel degelijk aannemelijk dat hij bij terugkeer zal worden ondervraagd, zeker omdat hij geruime tijd weg is geweest uit Iran en niet op een geldig paspoort, maar op een laissez-passer zal moeten terugreizen. Eiser zal dan worden bevraagd over zijn motieven voor het indienen van een asielaanvraag in Nederland. Omdat eiser zich daarbij heeft beroepen op religieuze motieven, waarover hij eerlijk wil zijn dan wel onder druk wellicht zal verklaren, zal hij worden gedetineerd voor verdere ondervraging en een onthoudingsverklaring moeten tekenen. [41] Daartoe is eiser niet bereid. Eiser acht het strijdig met rechtspraak van het Hof van Justitie dat de minister van hem verwacht dat hij bij terugkeer op de luchthaven liegt over zijn geloof en verklaart dat hij moslim is. Van een afvallige mag dit niet verwacht worden, terwijl het niet tekenen van zo’n verklaring een tot grote problemen kan leiden. [42] Het kan niet worden aangenomen dat de Iraanse autoriteiten er direct van uitgaan dat hij zijn bekeringsverhaal heeft geveinsd. De Iraanse autoriteiten zullen wantrouwend zijn. [43] Omdat eiser evangeliseert en connecties heeft met christenen, loopt hij extra gevaar. Bovendien zal eiser worden gedwongen wachtwoorden van sociale media aan de autoriteiten te geven, waardoor hij ook vanwege het plaatsen van onwelgevallige posts in de problemen zal komen. [44] Eiser verwijst voor wat betreft de problemen bij terugkeer naar Iran ook naar de algemeen ambtsberichten van februari 2021 [45] en mei 2022. [46] Wat een terugkeer naar Iran volgens eiser extra risicovol maakt, zijn de protesten naar aanleiding van de dood van [persoon A], de daarop volgende chaotische veiligheidssituatie in Iran en de repressieve houding van de Iraanse autoriteiten tegenover demonstranten. Omdat de Iraanse autoriteiten beweren dat demonstraties en protesten georganiseerd en aangewakkerd worden door het westen, worden Iraniërs die terugkeren uit het westen in de gaten gehouden en ondervinden zij problemen. [47] Ook eiser heeft deelgenomen aan protesten vanwege de dood van [persoon A], waarbij de kans groot is dat zijn deelname is opgemerkt door de Iraanse autoriteiten. [48] Daarbij komt nog dat hij duidelijk herkenbaar op een foto staat op de website ‘[website 1]’, die in handen is van de Iraanse Revolutionaire Garde. Eiser wijst verder op de executie van de Iraans-Nederlandse [persoon B] en op de waarschuwing van de Iraanse autoriteiten aan buitenlanders en Iraniërs in het buitenland. [49] De verslechterde situatie in Iran volgt volgens eiser ook uit het per 27 juni 2023 gewijzigde reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken en uit de roep om het instellen van een vertrekmoratorium. [50] Daarbovenop komt volgens eiser nog het recente conflict tussen Israël en Iran. Een terugkeer naar Iran is, mede vanwege het wantrouwen van de Iraanse autoriteiten jegens het westen en het repressieve klimaat in Iran, volgens eiser dan ook zeer risicovol.
Oordeel van de rechtbank
12.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Anders dan de minister, acht de rechtbank het risico aanzienlijk dat eiser bij terugkeer op de luchthaven van Teheran zal worden ondervraagd over zijn afwezigheid uit Iran. Hoewel niet iedere terugkerende Iraniër door de autoriteiten zou worden ondervraagd, volgt uit paragraaf 5 van het algemeen ambtsbericht over Iran van 2023 en het Informatiebericht 2023/25 dat het risico dat een terugkeerder door de autoriteiten wordt ondervraagd over het verblijf in het buitenland groot is wanneer iemand terugreist op een laissez-passer en lange tijd in het buitenland heeft verbleven. Daar waar de minister op de zitting het standpunt inneemt dat niet valt in te zien dat eiser geen nieuw Iraans paspoort kan aanvragen en dus met een geldig paspoort kan terugkeren, zodat van die risicofactor geen sprake zou zijn, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser vanwege zijn verlopen paspoort zal moeten terugkeren op een laissez-passer. [51] Daarbij komt nog de lange afwezigheid (sinds 2017) van eiser uit Iran. Dan is er gelet op het algemeen ambtsbericht over Iran van 2023 voldoende reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer op de luchthaven zal worden ondervraagd over de redenen van zijn lange verblijf in het buitenland. De vervolgvraag is of en, zo ja, welke problemen dit voor eiser oplevert.
12.2.1.
De minister stelt zich op goede gronden en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat eiser geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM in het geval hij op de luchthaven aan een ondervraging wordt onderworpen. Daarbij acht de minister terecht relevant dat het niet aannemelijk is dat eiser al in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat en evenmin is gebleken dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers asielaanvraag. Mede gelet op de ongeloofwaardig geachte verklaringen over zijn afvalligheid en bekering tot het christendom, mag de minister van eiser verwachten dat hij daarover tijdens een ondervraging niet verklaart dan wel, als hem daarnaar wordt gevraagd, verklaart dat hij die asielmotieven heeft geveinsd om in het bezit te raken van een verblijfsvergunning. Bekend is dat de Iraanse autoriteiten zich realiseren dat Iraniërs in het buitenland een asielaanvraag indienen waarbij zij gebruik maken van verhalen die niet (volledig) op waarheid berusten en dat in die zin ook accepteren. [52] In het geval van eiser is er op voorhand geen reden om aan te nemen dat de Iraanse autoriteiten hem in die verklaring voor wat betreft de asielmotieven afvalligheid en bekering niet zouden geloven. Daarbij wijst de minister er terecht op dat eiser stukken heeft die die verklaring onderbouwen, zoals het contract met de juridisch adviseur. [53] Het is gelet op de niet ten onrechte ongeloofwaardig geachte afvalligheid en bekering en de sterkte van eisers politieke overtuiging verder niet onaanvaardbaar dat de minister van eiser verwacht dat hij tegenover de Iraanse autoriteiten verklaart dat hij nog moslim is, als hem dat al wordt gevraagd, [54] dan wel dat hij een stuk ondertekent waarmee hij verklaart dat hij het Iraanse staatsburgerschap nog heeft en hij dat respecteert. Dat dit een ontoelaatbare aantasting oplevert van eisers religieuze identiteit en/of politieke mening volgt de rechtbank gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak niet. Vanwege de weinig sterk geachte politieke overtuiging van eiser en de beperkte wijze waarop hij die in Nederland uit, heeft de minister het ook niet aannemelijk hoeven achten dat eiser bij een ondervraging de behoefte zou voelen om daarover tegenover een beambte op de luchthaven te verklaren en zijn politieke overtuiging op die manier alsnog aan het licht komt. Voor wat betreft het sociale media-account van eiser waarop hij religieuze en politieke berichten post, wijst de minister er terecht op dat niet valt in te zien waarom dat bij terugkeer voor eiser tot problemen zou leiden. Dit account is niet via de naam van het account of de profielfoto tot eiser te herleiden, zodat het onduidelijk is hoe de autoriteiten – die geen gezichtsherkenning toepassen in het buitenland– van dat account op de hoogte zouden zijn of raken. Bovendien mag de minister van eiser verlangen dat hij, voordat hij naar Iran afreist, dit account dan wel onwelgevallige (religieuze en politieke) berichten daarop verwijdert om eventuele risico’s te minimaliseren. Ook dat acht de rechtbank gelet op de ongeloofwaardige verklaringen over afvalligheid en bekering tot het christendom én de gebleken sterkte van de politieke overtuiging van eiser niet ongeoorloofd. Voor zover eiser op de zitting heeft gewezen op zijn westerse uiterlijk en gedragingen, verwacht de minister niet ten onrechte van eiser dat hij zich bij terugkeer voor zover nodig aanpast zodat hij niet onnodig de negatieve aandacht op zich vestigt. De rechtbank heeft onvoldoende aanleiding om te denken dat de risico’s voor eiser bij terugkeer op dit moment anders zouden zijn vanwege maatschappelijke en politieke ontwikkelingen sinds de dood van [persoon A] en de protesten als gevolg daarvan noch vanwege het conflict tussen Israël en Iran in juni 2025. [55] De minister heeft het tot slot onaannemelijk kunnen achten dat wanneer eiser na het verlaten van de luchthaven wordt gevolgd of gemonitord, hij alsnog de negatieve aandacht op zich vestigt en daarin een reden zou zijn gelegen om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade. Vanwege de ongeloofwaardig geachte afvalligheid en bekering en de sterkte van de politieke overtuiging van eiser en de wijze waarop hij daaraan in Nederland uiting geeft, mag de minister ervan uitgaan dat eiser in Iran niets doet wat hem in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten zou plaatsen. Het beroep van eiser op de uitspraak van 19 januari 2022 gaat niet op, omdat daar – anders dan in eisers geval – sprake was van een geloofwaardig geachte afvalligheid. Ook de verwijzing naar de zitting van de Afdeling op 4 november 2025 over risico’s van afvalligen bij terugkeer in Iran gaat kan eiser niet baten omdat de minister niet ten onrechte niet geloofwaardig acht dat hij zich heeft afgewend van de islam of hem afvalligheid zal worden toegedicht.
Terugkeerbesluit
13. Gelet op het voorgaande kan het betoog van eiser dat wanneer sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling bij terugkeer naar Iran, hem geen terugkeerbesluit kan en mag worden opgelegd niet slagen. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat van die gegronde vrees of dat reële risico niet is gebleken.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het aanvankelijk van een ondeugdelijke motivering was voorzien. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag met de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 alsnog deugdelijk is gemotiveerd, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag als ongegrond blijft staan.
14.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.401,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een reactie op de aanvullende motivering van 18 augustus 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1,5 vanwege de omvang van de zaak).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand;
- veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van een bedrag van € 3.401,25 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, mr. A.S. Gaastra en
mr. K. van der Lee, leden, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.ECLI:NL:RBOBR:2020:3502. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in hoger beroep een uitspraak gedaan op 7 december 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:4067.
3.ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94.
4.Op de zitting heeft de minister bevestigd dat met het voornemen van 23 maart 2023 de drie eerder uitgebrachte voornemens zijn komen te vervallen.
5.Anders dan het verweerschrift suggereert, heeft de minister op de zitting bevestigd dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen als ongegrond, dat eiser een vertrektermijn is gegund en dat hem geen inreisverbod is opgelegd.
6.In het verweerschrift verwijst de minister naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 en stelt hij zich op het standpunt dat vast is komen te staan dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Tot dan toe is de aanvraag van eiser beoordeeld aan de hand van de ‘oude’ geloofwaardigheidsbeoordeling zoals uiteengezet in Werkinstructie 2014/10.
7.De minister verwijst naar telefoongesprekken die de KMar tussen 22 september en 14 december 2017 heeft opgenomen en uitgeluisterd en uit een doorzoeking op 7 maart 2018 in het kantoor van de juridisch adviseur waar onder meer een contract op naam van eiser en de juridisch adviseur is aangetroffen, gedateerd op 18 oktober 2017, met als doel het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister verwijst ook naar het proces-verbaal van bevindingen, nr.
8.Die contacten waren op 10 oktober 2017 (onderzoek KMar spraak, 10 oktober 2017, sessienummer 3115, 15:58:20 uur), 11 oktober 2017 (onderzoek KMar spraak, 11 oktober 2017, sessienummer 3208, 13:11:15 uur), 16 oktober 2017 (onderzoek KMar spraak, 16 oktober 2017, sessienummer 4332, 10:14:24 uur), 20 oktober 2017 (onderzoek KMar spraak, 20 oktober 2017, sessienummer 5224, 13:21:44 uur), 3 november 2017 (onderzoek KMar spraak, 25 oktober 2017, sessienummer 5822, 12:25:01 uur).
9.De minister verwijst ook naar de uitspraak van het Gerechtshof van 7 november 2023, bewijsoverwegingen voor feit 2.
10.De minister verwijst naar de uitspraak van het Gerechtshof van 7 november 2023 waaruit volgens hem volgt dat, gelet op de aangetroffen administratie van de juridisch adviseur, ervan kan worden uitgegaan dat dit ten uitvoer is gelegd.
11.Op 23, 24, 25, 26, 27, 30 en 31 oktober 2017, op 1 en 24 november 2017 en op 5 en 19 december 2017. Proces-verbaal van bevindingen nr. 1803280950.6705, PV-205, van 28 maart 2018.
12.Onderzoek KMar spraak, 31 oktober 2017, sessienummer 6964, 15:29:44 uur, onderzoek KMar spraak, 2 november 2017, sessienummer 7206, 15:38:22 uur, onderzoek KMar spraak, 16 november 2017, sessienummer 9478, 17:02:54 uur, onderzoek KMar spraak, 8 november 2017, sessienummer 8357, 10:13:43 uur, onderzoek KMar spraak, 15 november 2017, sessienummer 9263, 14:46:23 uur, onderzoek KMar spraak, 27 november 2017, sessienummer 11141, 13:05:31 uur.
13.Proces-verbaal bevindingen chat en geluidsopnamen, nr. 201805041405.5132, PV-293, van 8 mei 2018.
14.De minister verwijst ook naar de uitspraak van het Gerechtshof van 7 november 2023, bewijsoverwegingen voor feit 2.
15.Onderzoek KMar spraak, 5 december 2017, sessienummer 12396, 13:26:43 uur.
16.Proces-verbaal van verhoor getuige, nr. 1803131100.6228, PV-157, van 13 maart 2018.
17.Proces-verbaal van verhoor getuige, nr. 1803131100.4716, PV-155, van 13 maart 2018.
18.De minister verwijst naar het aanmeldgehoor van 8 november 2017, pagina 9, waar eiser heeft verklaard dat hij op dat moment nog geen advocaat had en naar het nader gehoor van 19 juni en 10 juli 2018, pagina 15.
19.De minister verwijst naar het proces-verbaal van verhoor getuige (zie voetnoot 19).
20.De minister verwijst naar het aanvullend gehoor van 20 september 2021, pagina 17.
21.De minister verwijst naar het nader gehoor van 19 juni 2018, pagina’s 15 en 16.
22.Zie ook de uitspraak van het Gerechtshof van 7 december 2023, bewijsoverwegingen voor feit 2.
23.De minister verwijst naar het nader gehoor van 19 juni en 10 juli 2018, pagina 22.
24.De minister verwijst voor het toetsingskader naar Werkinstructie 2022/3.
25.Eiser verwijst in het bijzonder naar pagina 78 en hoofdstuk VI van het handboek “Credibility assessment in asylum cases” van het Helsinkicomité, [website 2], de strafprocedure tegen [persoon C] en (naar de rechtbank aanneemt) naar ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0868 en ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292.
26.Zie ook overweging 8.1.2.
28.Eiser verwijst in dit verband naar Rb Den Haag (zp Zwolle) 28 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10068 en ABRvS 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349.
29.Eiser betoogt aanvankelijk dat de antwoorden van het Hof van Justitie op daarover gestelde prejudiciële vragen (ABRvS 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:505) moesten worden afgewacht. Nadien verwijst eiser naar HvJEU 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
30.Eiser verwijst naar het aanvullend nader gehoor van 11 april 2022, pagina 14.
31.ABRvS 11 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:435 en 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2230.
32.Eiser verwijst wederom naar HvJEU 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.
33.Conform Informatiebericht 2024/10 heeft de minister, na de vaststelling dat sprake is van een politieke overtuiging bij eiser, beoordeeld of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging vanwege die politieke overtuiging. In dat kader heeft de minister rekening gehouden met de sterkte van de politieke overtuiging en de activiteiten die eiser hier verricht om die overtuiging te uiten.
34.Pagina 74.
35.Zie ook het algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023, pagina 70.
36.Zie het aanvullend gehoor van 16 juli 2025, pagina 7.
37.Zie het algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023, pagina 74.
38.Zie het aanvullend gehoor van 16 juli 2025, pagina 17.
39.De minister verwijst naar UK Home Office ‘Country Policy and Information Note. Iran: Christians and Christian converts, Version 7.0’, september 2022, EUAA ‘COI Query Iran – People convicted with religious offences’, 8 februari 2023, UK Home Office ‘Country Policy and Information Note, Iran: Illegal Exit’, mei 2022 en het algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023, pagina’s 115 en 116.
41.Eiser verwijst naar ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93 en 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1668, Rb. Den Haag (zp ’s-Hertogenbosch) 10 augustus 2022, zaaknummer NL22.10661 (niet gepubliceerd) en de ‘Country Guidance’-uitspraak van het UKUT van 20 februari 2020, PS (Christianity – risk) Iran CG [2020] UKUT 00046 (IAC). Voor het belang van uitspraken als deze wijst eiser erop dat het EHRM in het verleden formuleringen uit ‘Country Guidances’ heeft overgenomen. Eiser verwijst ook naar de algemeen ambtsberichten over Iran van maart 2019, februari 2021, mei 2022 en september 2023 (pagina’s 114 tot en met 118) en UK Home Office ‘Country Policy and Information Note. Iran: Christians and Christian converts’, september 2022, paragraaf 2.4.14.
42.Eiser verwijst naar UNHCR ‘Guidelines on International Protection: Religion-Based Refugee Claims under Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees’ paragraaf 21 en 22. Eiser verwijst ook naar de (ongedateerde) notitie ‘IB 2023/35 Risico bij terugkeer naar Iran voor (toegelicht) afvalligen’ van Stichting Gave, ook voor wat betreft het risico op langdurige ondervraging en daarmee gepaard gaande detentie.
43.Eiser verwijst ook naar ABRvS 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1668.
44.Eiser verwijst naar het algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023, pagina 119.
45.Pagina’s 123 en 124.
46.Pagina’s 106 en 107.
47.Eiser verwijst in dit verband naar verschillende nieuwsberichten.
48.Eiser wijst naar het algemeen ambtsbericht over Iran van maart 2019, pagina 26, en dat van februari 2021, pagina’s 40 en 77.
49.Eiser verwijst naar een nieuwsbericht van [persoon D] van 10 oktober 2022.
50.Eiser wijst op “Brief VluchtelingenWerk Nederland – commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid 19 oktober 2022”, pagina’s 6 en 7.
51.Van die situatie lijkt ook het Informatiebericht 2023/35 uit te gaan.
52.Zie ook UKUT van 20 februari 2020, PS (Christianity – risk) Iran CG [2020] UKUT 00046 (IAC) en ABRvS 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1668.
53.Daarmee wijkt eisers geval af van de situatie als aan de orde in de Afdelingsuitspraak van 13 juni 2022 en gaat de verwijzing naar die uitspraak niet op.
54.Uit het algemeen ambtsbericht over Iran van september 2023, pagina 116, volgt dat het onduidelijk is of een terugkeerder wordt gevraagd een verklaring te ondertekenen om te bevestigen dat hij of zij de islam nog aanhangt.
55.Zie ook het Informatiebericht 2025/35.