ECLI:NL:RVS:2026:984
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.Th. Drop
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over gezinsprocedure asielaanvragen volgens Dublinverordening
Deze zaak betreft een Turks gezin dat asielaanvragen heeft ingediend in verschillende lidstaten, waarbij de minister van Asiel en Migratie de aanvragen niet in behandeling nam omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat Nederland verantwoordelijk is op grond van artikel 11 van Pro de Dublinverordening, omdat de man als oudste gezinslid zijn aanvraag in Nederland indiende.
De minister stelde in hoger beroep dat de rechtbank de verschillende procedures voor overname en terugname niet juist had onderscheiden en dat de systematiek van de Dublinverordening niet goed was toegepast. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank terecht artikel 11 heeft Pro toegepast en dat de minister geen geldig terugnameverzoek kon indienen bij Kroatië.
De Afdeling benadrukte dat het toetsmoment het moment is waarop de eerste asielaanvraag wordt ingediend en dat de gezinsprocedure bedoeld is om gezinsleden niet te scheiden. De Afdeling concludeerde dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van alle aanvragen en dat het hoger beroep van de minister ongegrond is.
De Afdeling zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00. De uitspraak bevestigt de rechtbankuitspraak met verbetering van gronden.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van alle asielaanvragen van het gezin en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.