ECLI:NL:CBB:2002:AE7590
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- B. Verwayen
- C.M. Wolters
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van varkensrecht en investeringsverplichtingen bij herstructurering varkenshouderij
Appellanten, handelend in maatschapsverband, stelden beroep in tegen besluiten van de Minister van Landbouw betreffende de toekenning van varkensrechten op grond van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv).
De kern van het geschil betrof de uitleg en toepassing van artikel 9 Bhv Pro, dat bepaalt onder welke voorwaarden een bedrijf aanspraak kan maken op een vergroting van het varkensrecht bij investeringen ter uitbreiding van de productiecapaciteit vóór 10 juli 1997. Verweerder stelde dat alleen milieuvergunningen en meldingen als bewijs van investeringsverplichtingen konden dienen, en dat een vergroting van het varkensrecht slechts mogelijk was indien de nieuwe vergunning een hoger aantal varkens toestond dan de oude.
Het College oordeelde dat deze interpretatie onjuist was. Artikel 9 Bhv Pro ziet op feitelijke productiecapaciteit en investeringen met het oog op het aantal feitelijk gehouden varkens, niet op het juridisch toegestane aantal. Bovendien mag niet uitsluitend op milieuvergunningen worden afgerekend; andere bewijsstukken kunnen relevant zijn. Tevens stelde het College vast dat verweerder het begunstigende besluit van 29 oktober 1999 zonder voorafgaand onderzoek en zonder appellanten te horen had ingetrokken, wat in strijd is met de zorgvuldigheids- en hoorplicht.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat het belang vervallen was. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast werden proceskosten aan appellanten toegekend en griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit van 5 april 2002 is vernietigd en verweerder is opgedragen binnen acht weken opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.