ECLI:NL:CBB:2005:AT4368
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A. van der Ham
- B. Verwayen
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over de geldigheid van artikel 2 lid 3 van beschikking 2003/199/EG inzake toelating aldicarb
In deze bestuursrechtelijke procedure gaat het om de toelating van bestrijdingsmiddelen op basis van de werkzame stof aldicarb voor specifieke toepassingen ('essential uses'). Het College voor het bedrijfsleven heeft een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van artikel 2 lid 3 van Pro beschikking 2003/199/EG met de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn. Deze beschikking bepaalt dat lidstaten voor bepaalde toepassingen aldicarb bevattende middelen mogen toelaten, ondanks dat aldicarb niet in bijlage I van de richtlijn is opgenomen.
Appellanten betogen dat deze bepaling in strijd is met de richtlijn omdat toelating slechts mag plaatsvinden indien is vastgesteld dat aan milieucriteria wordt voldaan, wat volgens hen niet het geval is. Verweerder en Bayer stellen dat de systematiek van de richtlijn impliceert dat stoffen die niet in bijlage I zijn opgenomen niet mogen worden toegelaten, maar dat de beschikking een afwijkende regeling bevat die rechtsgeldig is.
Het College oordeelt dat artikel 2 lid 3 van Pro de beschikking niet kan worden gebaseerd op de richtlijn en daarmee in strijd is met het Unierecht. Omdat het College niet bevoegd is om handelingen van een Gemeenschapsinstelling nietig te verklaren, legt het de vraag voor aan het Hof van Justitie en verzoekt het om een versnelde behandeling vanwege de acute risico's voor mens, dier en milieu. De procedure wordt geschorst in afwachting van het oordeel van het Hof.
Uitkomst: De procedure wordt geschorst en het Hof van Justitie wordt verzocht om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van artikel 2 lid 3 van beschikking 2003/199/EG.