ECLI:NL:CBB:2004:AQ4871
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.C. Cusell
- R.R. Winter
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
College van Beroep voor het bedrijfsleven over overgangsrecht toelating bestrijdingsmiddelen
In deze zaak staat de verenigbaarheid van artikel 25d van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Bmw) met de overgangsbepalingen van de Europese Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en Biocidenrichtlijn centraal. Artikel 25d Bmw regelt een systeem waarbij bestrijdingsmiddelen van rechtswege worden toegelaten indien de werkzame stoffen zijn aangewezen, gebaseerd op een quick scan van risico's voor mens, dier en milieu.
Appellante betoogt dat artikel 25d Bmw in strijd is met de richtlijnen omdat het niet voorziet in een volledige beoordeling zoals vereist in artikel 4 van Pro de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn en dat de toelating van rechtswege kan leiden tot onbeperkte toelatingstermijnen, wat strijdig is met de richtlijnen. Verweerder verdedigt het nationale overgangsregime als in overeenstemming met de richtlijnen en wijst op de capaciteitsproblemen bij het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen.
Het College analyseert de Nederlandse en Europese regelgeving, de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie, waaronder het Monsanto-arrest, en concludeert dat artikel 25d Bmw afwijkt van het normale toelatingsstelsel en dat de overgangsbepalingen ruimte bieden voor het nationale systeem. Het College stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van de overgangsbepalingen, de toepasselijkheid van artikel 25d Bmw en de mate van beoordelingsvrijheid van lidstaten in de overgangsperiode.
Totdat het Hof uitspraak doet, houdt het College iedere verdere beslissing aan. De zaak betreft complexe vragen over de verhouding tussen nationale wetgeving en Europese richtlijnen, de rechtswerking van overgangsbepalingen en de mate waarin lidstaten hun toelatingssystemen mogen handhaven of wijzigen tijdens de overgangsperiode.
Uitkomst: Het College houdt de zaak aan in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de uitleg van overgangsbepalingen in Europese richtlijnen.