ECLI:NL:CBB:2005:AT5832
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.C. Cusell
- M.A. Fierstra
- J.L.W. Aerts
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing verdachtverklaring en preventieve ruiming dieren bij mond- en klauwzeerbesmetting
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de rechtmatigheid van een besluit tot verdachtverklaring en preventieve ruiming van evenhoevige dieren op het bedrijf van appellant centraal. Dit besluit is genomen naar aanleiding van een besmetverklaring van een nabijgelegen bedrijf (bedrijf van B) met mond- en klauwzeer (mkz). Appellant betwist de besmetverklaring van het bedrijf van B, onder meer vanwege vermeende onzorgvuldigheden bij klinische inspecties en laboratoriumonderzoek uitgevoerd door ID-Lelystad B.V.
Het College overweegt dat de besmetverklaring van het bedrijf van B uitsluitend is gebaseerd op positieve laboratoriumuitslagen van monsters afkomstig van een kalf met levensnummer 2979 3247 1. De klinische verschijnselen die bij de kalveren werden vastgesteld, waren niet doorslaggevend voor de besmetverklaring. Het College acht de laboratoriumuitslagen betrouwbaar, mede gelet op DNA-onderzoek dat bevestigt dat de besmette monsters van hetzelfde kalf afkomstig zijn en dat contaminatie is uitgesloten.
Appellant stelde dat ID-Lelystad B.V. niet bevoegd was het mkz-virus te onderzoeken omdat het niet was opgenomen in bijlage B van richtlijn 85/511/EEG, en dat daardoor het besluit onrechtmatig zou zijn. Het College acht deze argumenten niet ontvankelijk omdat zij niet binnen de grenzen van het geschil vallen. Het College heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg en toepassing van deze richtlijn en de bevoegdheid van laboratoria.
De procedure is geschorst in afwachting van de prejudiciële beslissing. Het College bevestigt dat de nationale rechter niet ambtshalve buiten de grenzen van het geschil mag toetsen aan het gemeenschapsrecht, tenzij het gaat om openbare orde. De zaak betreft complexe vragen over de verhouding tussen nationale en Europese regelgeving en de rechtsbescherming van betrokkenen bij mkz-besmetting.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de verdachtverklaring en preventieve ruiming wordt afgewezen; prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie.