ECLI:NL:CBB:2005:AU3493
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- H.C. Cusell
- M.A. van der Ham
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of brieven van De Nederlandsche Bank besluiten zijn in zin van Algemene wet bestuursrecht
In deze zaak stond centraal of twee brieven van De Nederlandsche Bank (DNB) aan een rechtspersoon en diens Raad van Commissarissen als besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb Pro konden worden aangemerkt. De rechtbank had geoordeeld dat deze brieven geen besluiten waren, zodat bezwaar op grond van de Awb niet mogelijk was. Appellanten stelden dat de brieven dwingende aanwijzingen bevatten op grond van artikel 14 Wtk Pro 1992, en dus wel besluiten waren.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft het oordeel van de rechtbank bevestigd. Het stelde vast dat de brieven voornamelijk informatief waren en geen dwingende opdrachten inhielden. De mededelingen van DNB waren eerder bedoeld om de betrokken partijen te bewegen zelf maatregelen te treffen, zonder dat sprake was van een bindende aanwijzing. Ook de stelling van appellanten dat zij de brieven niet als vrijblijvend ervoeren, leidde niet tot een andere kwalificatie.
Het College benadrukte dat de bestuursrechter zelfstandig moet beoordelen of een schriftelijk stuk een besluit is, ongeacht de opvatting van het bestuursorgaan. Daarnaast wees het College erop dat onrechtmatigheid van dergelijke brieven civielrechtelijk kan worden aangevochten. De aangevallen uitspraak werd derhalve bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het College bevestigt dat de brieven van DNB geen besluiten zijn en dat onrechtmatigheid alleen civielrechtelijk kan worden aangevochten.