ECLI:NL:CBB:2006:AY4190
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- C.M. Wolters
- M.A. van der Ham
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Intrekking pluimveerechten wegens ontbreken feitelijk houder zijn van pluimvee
Appellanten, exploitanten van akkerbouwbedrijven, hadden pluimveerechten toegekend gekregen op basis van meldingen voor hardheidscategorie 3 onder de Meststoffenwet. Verweerder trok deze rechten later in omdat uit onderzoek bleek dat appellanten feitelijk niet de beschikking hadden over het pluimvee, maar dat deze door een derde partij werd gehouden en verzorgd.
Het geschil betrof de vraag of de pachtconstructies en samenwerking met deze derde partij ertoe leidden dat appellanten als feitelijke houders van pluimvee konden worden aangemerkt. Het College oordeelde dat appellanten slechts een vergoeding ontvingen voor de ingebrachte landbouwgrond en mestproductierechten, maar geen feitelijke beschikking hadden over de dieren.
De appellanten konden geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel, aangezien zij op de hoogte waren van het strafrechtelijk onderzoek en geen aanvullende informatie hadden verstrekt. Het College stelde vast dat de intrekking van de pluimveerechten terecht was en verklaarde de beroepen ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellanten tegen de intrekking van pluimveerechten wordt ongegrond verklaard omdat zij niet als feitelijke houders van pluimvee konden worden aangemerkt.