ECLI:NL:CBB:2006:AZ1557
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding vervolgschade na preventieve ruiming varkensbedrijf
Appellante exploiteerde een varkenshouderij die in 1997 preventief werd geruimd wegens verdenking van besmetting met het klassieke varkenspestvirus. Verweerder kende toen een tegemoetkoming toe voor de directe schade van de ruiming. Appellante vorderde later vergoeding van vervolgschade, zoals winstderving door leegstand en advieskosten, maar dit verzoek werd afgewezen.
Het geschil betrof de vraag of de vervolgschade op grond van artikel 91 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) vergoed moest worden. Verweerder stelde dat de schade tot het normale ondernemersrisico behoort en dat de wet een gesloten systeem van tegemoetkomingen kent. Appellante voerde aan dat het om een preventieve ruiming ging zonder ziekteverschijnselen, waardoor volledige schadeloosstelling vereist is.
Het College oordeelde dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat vervolgschade door maatregelen ter bestrijding van dierziekten tot het normale bedrijfsrisico behoort. Het beroep op het EVRM en de Grondwet faalde omdat de maatregelen in het algemeen belang waren genomen en het stelsel van schadeloosstelling een fair balance biedt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de weigering van vergoeding van vervolgschade na preventieve ruiming is ongegrond verklaard.