ECLI:NL:CBB:2010:BN6925
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- E.R. Eggeraat
- B. Verwayen
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling boeteoplegging NMa in bouwfraudezaak GWW-sector
Deze zaak betreft een hoger beroep van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de boete aan A in het kader van het bouwfraudeonderzoek in de GWW-sector aanzienlijk had verlaagd.
De NMa had vastgesteld dat A via haar werkmaatschappij D in de periode 1998-2001 had deelgenomen aan verboden prijsafspraken en vooroverleg bij aanbestedingen, wat een overtreding van artikel 6 Mededingingswet Pro en artikel 81 EG Pro-Verdrag opleverde. A had gekozen voor de versnelde procedure, waarbij zij afstand deed van het recht op individuele inzage en betwisting van de feiten en juridische beoordeling, en een boetevermindering van 15% kreeg.
De rechtbank oordeelde dat de boetegrondslag, gebaseerd op de aanbestedingsomzet van 2001, onevenredig was vanwege A's beperkte deelname aan het vooroverleg en verlaagde de boete aanzienlijk. De NMa stelde dat de rechtbank ten onrechte nader onderzoek deed naar de mate van individuele betrokkenheid, terwijl de systematiek al rekening houdt met verschillen in deelname.
Het College oordeelt dat deelname aan de versnelde procedure inhoudt dat de onderneming afstand doet van betwisting van de feiten en beoordeling, tenzij met concrete bewijzen. A had dit niet voldoende onderbouwd en had geen reden gegeven voor haar keuze voor de versnelde procedure. Daarom vernietigt het College het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van A ongegrond.
Uitkomst: Het College vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van A ongegrond, waarbij de boete van NMa in stand blijft.