ECLI:NL:CBB:2011:BP8461
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
College van Beroep voor het bedrijfsleven legt schriftelijke waarschuwing aan registeraccountant op wegens onvoldoende zorgvuldigheid in rapportage
In deze zaak stond een beroepsprocedure centraal tegen een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants, waarin een klacht over het handelen van een registeraccountant (betrokkene) werd afgewezen. De klacht betrof onder meer onduidelijkheid over de aard en het doel van een onderzoek, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, naleving van hoor en wederhoor, en de inhoudelijke juistheid van het rapport.
Het College oordeelde dat de onvolledige partijstelling door de raad van tucht geen gevolgen had voor de beoordeling, en verwierp meerdere grieven over feitenweergave en procedurele aspecten. Wel stelde het College vast dat de raad van tucht ten onrechte niet had onderzocht of betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld op grond van schendingen van de Gedragsrichtlijn inzake persoonsgerichte accountantsonderzoeken en de GBR-1994, en vernietigde de beslissing deels.
Inhoudelijk oordeelde het College dat betrokkene niet onpartijdig of niet onafhankelijk had gehandeld, en dat het rapport in hoofdlijnen een deugdelijke grondslag had. Echter, een passage in het rapport waarin werd gesteld dat betalingen aan Graphicom als kosten waren geboekt, ontbeerde een deugdelijke grondslag. Dit leidde tot de conclusie dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld, waarvoor een schriftelijke waarschuwing passend werd geacht.
Uitkomst: Betrokkene ontvangt een schriftelijke waarschuwing wegens het ontbreken van een deugdelijke grondslag in een passage van zijn rapport.