Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 april 2015 op het hoger beroep van:
(gemachtigde: mr. G.T.J. Hoff),
Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM),
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Appellante heeft gemotiveerd betwist dat in de 6 gewraakte telefoongesprekken sprake is geweest van het geven van beleggingsadvies. Volgens appellante is enkel sprake geweest van effectenbemiddeling. Appellante heeft voorts aangevoerd dat AFM in strijd met de cautieplicht heeft gehandeld. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat de boete vanwege verminderde ernst en verminderde verwijtbaarheid van de overtreding en overschrijding van de redelijke termijn in verdere mate gematigd dient te worden dan de rechtbank heeft gedaan.
a. het in de uitoefening van een beroep of bedrijf aanbevelen van een of meer specifieke financiële producten, met uitzondering van verzekeringen en financiële instrumenten, aan een bepaalde consument; of
Voor zover appellante met haar opmerking over de vage, vloeiende scheidslijn tussen effectenbemiddeling en beleggingsadvies bedoelt dat in de praktijk de grens tussen “execution only” en advisering gemakkelijk kan worden overschreden, wijst het College erop dat hier sprake is van een risico waarop appellante bedacht had kunnen en moeten zijn bij haar besluit in september 2007 om af te zien van uitbreiding van haar vergunning met advisering.
AFM heeft in onderdeel 3.2.2 van het primaire besluit opgemerkt dat het onderzoek zich heeft gericht op het adviseren van Bonds, Capital Securities en deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen van ActivInvestor Management B.V. door appellante in de hoedanigheid van beleggingsonderneming. Beleggingsadvies dat uitsluitend was gericht op producten zoals de Homburg Eastern Europe Fund of Homburg De President, waarvoor appellante als beheerder van het beleggingsfonds geen adviesvergunning nodig had, is in het onderzoek niet meegenomen. Ook het College zal opmerkingen over laatstgenoemde producten buiten beschouwing laten.
“Maar wat, wat ik er eigenlijk mee wil zeggen, meneer [naam 1], als u dan toch bij solvabele partijen dat soort bedragen onderbrengt, om op vastrentende basis weg te zetten, zou bijvoorbeeld daar een bond niet een heel goed alternatief voor zijn?”
“En als u een investering zou kunnen doen in de Homburg bond 11, want het is zo dat we tegen het einde lopen van de emissieperiode, dus we zullen binnenkort voltekend gaan raken. (…) Ik denk sowieso dat u, als ik u een beetje heb beluisterd, u beter voor dat soort producten kunt kiezen dan de aandelen die u nu heeft bij de Rabobank, want dan weet u niet waar u aan toe bent. (…) En als u dus tevreden bent met een rendement van rond de 7%, dan kunt u het beste voor dat soort producten kiezen, denk ik. (…) Ja…nee goed, eh… dan spreken we dat gewoon af. Mocht u eh… in de nabije tijd dus eh… ja… toch nog eh… kunnen instappen in de Homburg Bond Elf, want het zal nog een aantal weken duren denk ik voordat de laatste verkocht zal zijn eh… ja dan kunt u altijd even contact opnemen en eh… ja wellicht daarna ook nog, mocht u in de markt zijn of vragen hebben voor een bepaald product, ja kunt u altijd even contact opnemen en dan kunnen we altijd even kijken of er op dat moment iets eh… van onze producten… iets voor u zou kunnen zijn.”Het College is van oordeel dat ook in dit gesprek een beleggingsadvies aan de cliënt is gegeven. De accountmanager heeft immers een specifiek product (bonds) aanbevolen, gebaseerd op de persoonlijke wensen van de cliënt.
“Ja, dus eigenlijk zou uw zoon dan zo’n belegging moeten hebben zoals die bond van ons, waarmee hij elk jaar een vaste…”Het College is van oordeel dat ook in dit gesprek een specifiek product is aanbevolen, dat past bij de persoonlijke omstandigheden van de cliënt en diens zoon. Daaraan doet niet af dat de cliënt het advies meteen heeft verworpen omdat het te schenken geldbedrag op dat moment was uitbesteed aan een vermogensbeheerder.
“Nou ok, ik heb aangegeven wat mijn wensen zijn. Vanuit mijn wens beredenerend, wat zou u mij dan adviseren? Als je dan toch deze 2 producten zou hebben. Of een combinatie of eh…”. In plaats van dat de accountmanager dan aangeeft dat slechts informatie over het product gegeven kan worden, maar dat niet kan worden geadviseerd, antwoordt de accountmanager:
“Ja, een combinatie zou ook leuk kunnen zijn. Kijk zeker, aan de ene zijde heeft u dan een vaste rente wat u ontvangt vanuit de Capital Security en aan de andere kant ontvangt u dan gemiddeld een 8% op jaarbasis vanuit Homburg De President met nog dat extraatje wanneer het wordt verkocht. Dan heeft u dan ook nog eens een keer bijna 3,5% op jaarbasis teruggerekend krijgt uitgekeerd.”Aangezien blijkens de volledige uitwerking van de gespreksopnames, zoals de cliënt in het weergegeven citaat ook aangeeft, diens beleggingswensen ter sprake zijn gekomen, moet de reactie van de accountmanager over de combinatie van (de buiten het onderzoek vallende) Homburg De President met de Capital Security worden beschouwd als een aanbeveling in relatie tot een transactie in een financieel instrument dat past bij de persoonlijke omstandigheden van de cliënt. Aldus is ook hier sprake van een beleggingsadvies.
“Nee, kijk want dan kan inderdaad zo’n Capital Security ook een interessante belegging voor u kunnen zijn. En dan om de volgende reden (…)”. Het College is van oordeel dat ook deze reactie van de accountmanager een beleggingsadvies inhoudt.
Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om de boete verder te matigen dan de rechtbank heeft gedaan. Zoals hiervoor in r.o. 7 reeds is overwogen is het College van oordeel dat geen sprake is van (slechts) enkele incidenteel gepleegde overtredingen, maar is voldoende aannemelijk dat de door AFM geselecteerde gesprekken (deelwaarneming 1) een beeld geven van een bij appellante gangbare praktijk. De omstandigheid dat de gegeven adviezen niet hebben geleid tot financieel voordeel voor appellante is, zoals AFM terecht heeft aangevoerd, in dit verband niet relevant. Met de omstandigheid dat de cliënten van appellante niet zijn benadeeld heeft de rechtbank reeds – in afdoende mate – rekening gehouden door de boete met 50% te matigen. Zoals hiervoor in r.o. 6 is overwogen, zijn de criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of al dan niet sprake is van beleggingsadvies direct kenbaar uit de Wft, de MiFID en de MiFID Uitvoeringsrichtlijn en tevens voldoende duidelijk.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt. De redelijke termijn neemt een aanvang vanaf het moment waarop een handeling is verricht waaraan betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Het College is evenals de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak een aanvang heeft genomen op 24 september 2010, de datum waarop aan appellante het voornemen tot boeteoplegging is meegedeeld en haar het rapport van bevindingen is toegestuurd. Naar het oordeel van het College kan in dit geval het uitgangspunt worden gehanteerd dat de redelijke termijn is overschreden als niet binnen vier jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak op het hoger beroep wordt gedaan. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn in totaal met meer dan een half jaar, maar minder dan één jaar is overschreden. Naar het oordeel van het College zou de in verband hiermee toe te passen vermindering van de boete 10% belopen, met een maximum van € 2.500,--. Dit betekent dat ook hierin geen aanleiding gevonden wordt om de boete verder te matigen dan de rechtbank reeds heeft gedaan.