Uit wat de rechtbank onder 4.3 heeft overwogen, volgt dat het BFT [eiseres] terecht verwijt dat zij haar verplichting tot cliëntcontrole niet goed heeft uitgevoerd. Dit betekent echter niet dat [eiseres] hierdoor ook artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden. Artikel 16, eerste lid, van de Wwft vereist dat een instelling bekend is met een ongebruikelijke transactie en dit verwijtbaar niet (tijdig) meldt.
[eiseres] heeft betwist dat zij op de hoogte was van ongebruikelijke (contante) transacties bij [bedrijf] . In de cliëntadministratie van [bedrijf] is ook niet onmiddellijk terug te vinden dat deze contante betalingen hadden plaatsgevonden. Om deze contante betalingen zichtbaar te maken, moest daar gericht op worden gezocht en moest daar vervolgens een apart overzicht van worden samengesteld.
Dit heeft het BFT in haar onderzoek gedaan. Het BFT heeft met dit overzicht echter niet aangetoond dat [eiseres] in 2011, 2012 of 2013 wist van de contante betalingen van meer dan € 15.000,- per cliënt bij [bedrijf] . Niet in geschil is immers dat [eiseres] een dergelijke overzicht niet heeft gemaakt.
Dat [eiseres] bekend had kunnen worden met het ongebruikelijke karakter van de diverse concrete transacties indien [eiseres] een zelfde onderzoek had gedaan als het BFT, leidt niet tot de conclusie dat zij door dit onderzoek na te laten artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden. Dit verwijt ziet immers ten materiële op het nalatig zijn in het uitvoeren van een doeltreffend cliëntonderzoek en niet op het verwijtbaar niet-melden van haar bekend geworden ongebruikelijke transacties.
Ook het persbericht van oktober 2013, waardoor [eiseres] op de hoogte raakte van de verdenking van het Openbaar Ministerie jegens [bedrijf] over de jaren 2009 en 2010, leidt er op zichzelf niet toe dat [eiseres] daardoor wel kennis droeg van concrete ongebruikelijke transacties in de jaren 2011-2013 bij [bedrijf] . In dit persbericht worden immers geen concrete transacties genoemd.
Dat [eiseres] kort na het persbericht heeft nagelaten te melden dat [bedrijf] een klant van haar was, kan evenmin gelijk worden gesteld met het verwijtbaar niet-melden van ongebruikelijke transacties.
Niet in geschil is dat [eiseres] de transacties, nadat het BFT haar op het ongebruikelijke karakter daarvan had gewezen, alsnog heeft gemeld bij de FIU.
Omdat het BFT niet heeft aangetoond dat [eiseres] al voorafgaand aan het onderzoek van het BFT wist van de ongebruikelijke transacties bij [bedrijf] in de jaren 2011-2013, heeft het BFT niet onderbouwd dat [eiseres] artikel 16, eerste lid, van de Wwft heeft overtreden.