Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 juli 2015 in de zaak tussen
Erasmus MCte Rotterdam,
Leids Universitair Medisch Centrumte Leiden,
Maastricht UMC+te Maastricht,
Universitair Medisch Centrum Groningente Groningen,
Radboudumcte Nijmegen, (hierna gezamenlijk: de UMC’s)
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
Procesverloop
Overwegingen
Verweerster heeft binnen een maand na de brief van 27 november 2012 de primaire besluiten tot verlening van de onderhavige beschikbaarheidbijdragen genomen en daarbij niet naar genoemde afspraak verwezen. Naast de UMC’s heeft ook de NFU op 31 januari 2013 tegen die besluiten bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarprocedure heeft verweerster niet aangevoerd dat de UMC’s reeds met de hoogte van de beschikbaarheidbijdragen zouden hebben ingestemd. Zoals hiervoor reeds is vermeld heeft verweerster in het bestreden besluit slechts vermeld dat besloten is – in verband met het hiervoor bedoelde nadere onderzoek – om de vergoedingssystematiek gebaseerde op voorgaande jaren nog een jaar te continueren. Ook in het verweerschrift is niet op het bestaan van een afspraak over de hoogte van de beschikbaarheidbijdragen gewezen. Hoewel het College het mogelijk acht dat een in het veld bereikte overeenstemming om de discussie over de financieringsgrondslag van bepaalde activiteiten pas na nader onderzoek ten principale te voeren grond zou kunnen vormen om aan de onderbouwing en motivering van een besluit over de tussenliggende periode minder hoge eisen te stellen, ziet het College daarvoor in dit geval geen aanleiding. De brief van 27 november 2012 roept, mede door de niet geheel duidelijke wijze van totstandkoming en de ondertekening de vraag op in hoeverre de UMCs geacht kunnen worden onvoorwaardelijk te hebben ingestemd met de berekeningswijze van de beschikbaarheidbijdrage over het jaar 2013. Het late moment van overlegging van de brief heeft ertoe geleid dat het College daarover geen nadere zekerheid heeft kunnen verkrijgen. Gelet op deze voor risico van verweerster komende omstandigheid laat het College de genoemde brief verder buiten beschouwing.
€ 490,-- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerster op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van de UMC’s met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 318,-- aan de UMC’s te vergoeden;
€ 980,--.
mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2015.