Verzoeker, een taxichauffeur in Amsterdam, kreeg op 5 januari 2015 zijn taxivergunning ingetrokken door de gemeente Amsterdam vanwege een politie-mededeling over gevaarlijk verkeersgedrag op 18 november 2014. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om zijn werkzaamheden te kunnen hervatten tijdens de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de enkele politie-mededeling onvoldoende bewijs vormde voor het intrekken van de vergunning. Verzoeker ontkende de beschuldigingen van bumperkleven en het niet aangeven van richting, en erkende alleen het uiten van ongepaste opmerkingen tegen de politie, wat niet als asociaal verkeersgedrag werd aangemerkt.
De rechter stelde dat de gemeente niet had aangetoond dat verzoeker zich gevaarlijk of asociaal had gedragen en dat een belangenafweging noodzakelijk is. Daarom werd het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werden de proceskosten van verzoeker aan de gemeente opgelegd.