ECLI:NL:CBB:2019:32
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- R.R. Winter
- H.L. van der Beek
- T.L. Fernig-Rocour
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overschrijding meststofgebruik op niet tot het bedrijf behorende landbouwgrond
Appellant exploiteert een melkveebedrijf en kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens overschrijding van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen en stikstof in 2013. Twee percelen (50 en 51) werden niet als landbouwgrond aangemerkt omdat deze feitelijk als industrieterrein werden gebruikt en appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had om teelt- en bemestingsplannen af te stemmen.
De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris en matigde de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep betoogde appellant dat de percelen wel landbouwgrond waren omdat hij er gras teelde en beschikte over een grondgebruiksovereenkomst. Het College oordeelde echter dat de contractuele beperkingen de feitelijke beschikkingsmacht ontzegden, waardoor de percelen niet tot het bedrijf behoorden.
Het College bevestigde dat appellant de gebruiksnormen had overschreden en dat de minister bevoegd was een boete op te leggen. De matiging wegens draagkracht werd niet toegewezen omdat onvoldoende bewijs daarvoor was geleverd. Ook het betoog over de start van de redelijke termijn faalde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van € 43.703,10 wordt bevestigd.