In deze bestuursrechtelijke procedure heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven het hoger beroep behandeld tegen een boetebesluit op grond van de Meststoffenwet. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het zwijgrecht van appellant niet correct was gewaarborgd, waardoor verklaringen over zeventien vrachten mest buiten beschouwing moesten blijven. Hierdoor ontbrak toereikend bewijs voor deze vrachten en moest een nieuwe berekening worden gemaakt.
De minister heeft vervolgens een nieuw besluit genomen waarbij de boete werd vastgesteld op € 40.500,- na toepassing van een korting wegens termijnoverschrijding. Appellant voerde aan dat de boete onredelijk hoog was, het evenredigheidsbeginsel niet werd gerespecteerd, en dat zijn financiële draagkracht onvoldoende was meegewogen. Tevens stelde hij dat de procedure te lang had geduurd.
Het College oordeelde dat de boete in redelijke verhouding moest staan tot de ernst van de overtreding en dat forfaitaire boetebedragen passend zijn gezien het afschrikkingsdoel en de milieuschade. De draagkracht van appellant was onvoldoende onderbouwd, zodat matiging op die grond niet op zijn plaats was. Wel werd de boete verder gematigd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar, wat leidde tot een verlaging van de boete tot € 30.375,-.
Het College vernietigde het bestreden besluit en stelde deze uitspraak in de plaats, veroordeelde de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van appellant, en bepaalde dat de boete op het gematigde bedrag blijft staan.