Appellante, een melkveehouderij, gaf in 2009 bospercelen op als tot haar bedrijf behorende landbouwgrond om mestplaatsingsruimte te vergroten. De staatssecretaris legde haar een bestuurlijke boete op wegens overtreding van de Meststoffenwet, omdat deze percelen niet als landbouwgrond konden worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar matigde de boete met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat zij wel degelijk de feitelijke beschikkingsmacht had en dat de boete verder gematigd moest worden.
Het College oordeelt dat de bospercelen niet als tot het bedrijf behorende landbouwgrond kunnen worden beschouwd, omdat appellante geen feitelijke beschikkingsmacht had en de percelen niet in het kader van een normale bedrijfsvoering werden gebruikt. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden. Wel acht het College verdere matiging van de boete op zijn plaats wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep.
Het College vernietigt het besluit over de hoogte van de boete, verklaart het beroep gegrond voor zover het de hoogte betreft, herroept het oorspronkelijke boetebesluit en stelt de boete vast op €10.410,61. Tevens veroordeelt het College de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.