ECLI:NL:CBB:2017:53
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging boetebesluit wegens overtreding rookverbod horeca
De zaak betreft hoger beroepen tegen een boetebesluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet. De horecaondernemer werd beboet omdat in zijn horecagelegenheid werd gerookt, ondanks het rookverbod, en omdat hij onvoldoende maatregelen had getroffen om werknemers te beschermen tegen rookoverlast.
De rechtbank Rotterdam had het bezwaar van de ondernemer gegrond verklaard en het boetebesluit vernietigd, omdat de minister ten onrechte had afgezien van een hoorzitting. De rechtbank stelde dat de ondernemer als werkgever moest worden aangemerkt, mede omdat de bedrijfsleider op het moment van controle werkzaamheden verrichtte onder gezag van de ondernemer.
In hoger beroep betoogde de ondernemer dat de minister de definitie van werknemer te ruim hanteerde en dat hij niet had verklaard dat de bedrijfsleider in loondienst was. Het College oordeelde echter dat de feitelijke gezagsverhouding bepalend is en dat de verklaringen van de ondernemer inconsistent en ongeloofwaardig waren. Ook de alternatieve verklaring voor de rookgeur werd niet aannemelijk geacht.
De minister stelde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat daarom geen hoorzitting nodig was. Het College volgde dit niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de hoorplicht was geschonden. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard. Het College bevestigde daarmee de vernietiging van het boetebesluit door de rechtbank.
Uitkomst: Het College bevestigt de vernietiging van het boetebesluit wegens overtreding van het rookverbod en schending van de hoorplicht.