Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2017 in de zaak tussen
[naam 1] en 40 anderen, appellanten
de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster
Procesverloop
Overwegingen
Functionele bekostiging
1 januari 2014 maximumtarieven en prestatiebeschrijvingen voor de generalistische basis GGZ zou vaststellen. Daarmee heeft de minister de grenzen van de bevoegdheidsverdeling niet overschreden. Vast staat voorts dat verweerster zelfstandig vorm heeft gegeven aan (een nadere invulling van) de prestaties en de daaraan te verbinden tarieven. Anders dan appellanten hebben aangevoerd, was verweerster niet gehouden om zelf onderzoek te doen naar voor de tarieven relevante factoren zoals tijdsbesteding en kostenposten. Voldoende is dat verweerster zich ervan heeft vergewist dat het HHM-rapport zorgvuldig tot stand is gekomen, inhoudelijk concludent is en voldoende is gemotiveerd. Daarbij komt voorts dat het rapport van bureau HHM, naar verweerster heeft betoogd en appellanten niet hebben betwist, in samenspraak met alle relevante partijen uit het veld tot stand is gekomen en dat de onder het nieuwe stelsel geleverde en gedeclareerde generalistische basis GGZ gedurende enkele jaren “gemonitord” zal worden, zodat zo nodig aanpassingen kunnen worden doorgevoerd. De beroepsgrond van appellanten slaagt niet.
“Wat betreft het onderzoek van Sira merkt de NZa op dat in dit onderzoek voor zes voorbeeldzorgaanbieders de regeldruk, uitgedrukt als percentage van de totale productiekosten, in beeld is gebracht. Met regeldruk wordt bedoeld alle tijd en kosten die voortkomen uit regelgeving en beleid van de overheid (zie pag. 10 Sira). De NZa is van oordeel dat dit onderzoek voornamelijk laat zien dat de indirecte cliëntgebonden werkzaamheden voor de onderzochte zorgaanbieders is gewijzigd door een toename van regeldruk. De indirecte cliënt gebonden werkzaamheden zijn bij de tariefonderbouwing van de NZa onderdeel van de declarabele tijd. Een hogere indirecte cliënt gebonden tijdsbesteding leidt in verhouding tot de totale tijd, en in tegenstelling tot hetgeen bezwaarden stellen, automatisch tot een lager percentage niet-cliëntgebonden tijd resp. overhead. Voorts is met de indirecte cliënt gebonden werkzaamheden rekening gehouden in de berekening van de tariefcomponent waarbij het normatieve declarabele aantal minuten per zorgprestaties is vastgesteld. (…)”
Verweerster heeft in het bestreden besluit overwogen dat het oprichten van en uitvoering geven aan samenwerkingsverbanden weliswaar kosten met zich kan brengen, maar dat dergelijke samenwerkingsverbanden ook baten kunnen opleveren waardoor gemaakte kosten worden terugverdiend. Omdat de uiteindelijke effecten op voorhand nog niet goed te voorspellen zijn, heeft verweerster daarmee in de huidige tariefonderbouwing nog geen rekening gehouden.
Beslissing
mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. J.M.M. Bancken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017.