Conclusie
CONCLUSIE
1.Feiten en procesverloop
(zie noot 1)Hierna worden [appellant A], zijn echtgenote en kinderen aangeduid als [appellant A] c.s.
Naar aanleiding van de aanvraag van 22 december 2005 zijn [appellant A] c.s. door de Immigratie en Naturalisatiedienst (hierna: IND) bij brieven van 12 januari 2006 uitgenodigd om de aanvraag persoonlijk in te leveren op 30 januari 2006 om 13:00 uur op het kantoor van de IND te Hoofddorp. In die brief is erop gewezen dat de verschuldigde leges - voor [appellant A] 433 Euro en voor echtgenote en de kinderen elk 188 Euro - voor het in behandeling nemen van de aanvragen op 30 januari 2006 per kas of pinbetaling moeten worden voldaan. [appellant A] c.s. hebben aan deze verplichting op 30 januari 2006 om 13:00 uur niet voldaan. Op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb zijn zij mondeling in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen en om alsnog ter plekke de verschuldigde leges per kas- of pinbetaling te voldoen. Deze werkwijze was destijds geregeld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2005/21, en staat bekend als het lik-op-stukbeleid. Omdat zij van deze gelegenheid niet (tijdig) gebruik hebben gemaakt, heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister) bij besluit van 30 januari 2006 de aanvragen buiten behandeling gesteld omdat de leges niet is voldaan. [appellant A] c.s. zijn op dezelfde dag in bewaring gesteld.
Op 14 februari 2006 hebben [appellant A] c.s. tegen de dreigende uitzetting een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Op 16 februari 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Zwolle,
(zie noot 2)dit verzoek afgewezen, omdat er volgens de rechter geen aanleiding bestond te veronderstellen dat de aanvragen ten onrechte buiten behandeling zijn gesteld en de bezwaren daarom geen redelijke kans van slagen hebben. Op 17 februari 2006 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van betrokkene tegen de in bewaringstelling ongegrond verklaard, omdat betrokkene door na eerdere afwijzende beschikkingen niet te vertrekken en zonder een verblijfstitel een onderneming te beginnen, zelf het risico over zich heeft afgeroepen dat hij met zijn gezin in vreemdelingenbewaring is komen te verkeren.
(zie noot 3)Op 27 februari 2006 zijn [appellant A] c.s. uitgezet naar Turkije en daar verblijven zij nog steeds.
Bij besluit van 14 november 2006 heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2006, het (aangevulde) bezwaar van [appellant A] c.s. ongegrond verklaard. Betrokkenen hebben hiertegen op 11 december 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep is op 13 december 2006 ontvangen.
(zie noot 4)Het Hof heeft op 17 september 2009 in deze zaak arrest gewezen. Daarbij heeft het Hof voor recht verklaard:
(zie noot 5)Niettemin is de minister van oordeel dat de aanvraag om verblijfsvergunning van [appellant A] terecht is afgewezen, omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Een mvv was volgens de minister in casu noodzakelijk, omdat - kort gezegd - [appellant A] geen ondernemingsplan heeft overgelegd en daarom niet kan worden vastgesteld dat met de door hem beoogde activiteiten als zelfstandige, gelet op het door de minister van Economische Zaken in dit kader gehanteerde puntensysteem, een wezenlijk economisch belang van Nederland is gediend.
(zie noot 6)Omdat aan [appellant A] geen verblijfsvergunning wordt verleend, wordt aan de andere gezinsleden geen afhankelijk verblijfsrecht, op grond van gezinshereniging, toegestaan.
[appellant A] c.s. hebben tegen dit besluit op 6 april 2010 beroep ingesteld. Bij brief van 6 mei 2010 is het beroep aangevuld. De rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Amsterdam,
(zie noot 7)heeft bij uitspraak van 29 oktober 2010 het beroep gegrond verklaard omdat het door de minister van Economische Zaken gehanteerde puntensysteem in strijd is met artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol van 23 november 1970, behorende bij de Associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije.
[appellant A] c.s. hebben op 24 februari 2011 tegen het besluit op bezwaar beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift van 25 maart 2011 hebben zij (onder meer) geklaagd over de lange duur van de procedure.
De rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft de beroepen bij uitspraak van 20 januari 2012 ongegrond verklaard.
(zie noot 8)Volgens de rechtbank heeft [appellant A] geen belang (meer) bij de rechterlijke beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat de door hem gewenste verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ betrekking heeft op een niet (meer) bestaande pizzeria. Daarom kan hij met het beroep niet bewerkstelligen hetgeen hij daarmee heeft beoogd, het drijven van de pizzeria. De andere eisers hebben vanwege de afhankelijkheid van hun verzoek evenmin belang bij een rechterlijke beoordeling.
Overigens verklaart de rechtbank [appellant A] c.s. niet niet-ontvankelijk in hun beroep (maar worden de beroepen ongegrond verklaard), omdat eisers wel belang hebben bij de beoordeling door de rechtbank van het verzoek dat zij in het kader van het beroep hebben gedaan om vergoeding van de immateriële schade die zij stellen te hebben geleden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Omdat onduidelijk is in hoeverre in dit verband de periode waarin de zaak door de rechtbank is aangehouden vanwege de door de Afdeling bij uitspraak van 11 juli 2006 gestelde prejudiciële vraag in de zaak C-242/06 (Sahin, zie punt 1.3) kan worden ‘afgetrokken’ van de totale behandelingsduur van de zaak, kan de rechtbank in de zaak geen definitief oordeel geven over de schadevergoeding. Daarom bepaalt zij dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.
Tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 2012 hebben [appellant A] c.s. geen hoger beroep ingesteld, zodat de afwijzing van hun verzoeken om een verblijfsvergunning definitief is.
(zie noot 9)Daarin stelt de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2009,
(zie noot 10)dat in een zaak als de onderhavige die bestaat uit een bezwaarschriftprocedure en beroep, drie jaar kan worden genomen als richtsnoer voor een redelijke duur van de procedure. De totale duur van de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 30 januari 2006 tot de uitspraak van 20 januari 2012 is zes jaar. Daarna overweegt zij als volgt.
(zie noot 11)
In een brief van 24 april 2013 concludeert de minister tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de aangevallen uitspraak. Volgens de minister heeft de rechtbank op juiste gronden het verzoek om schadevergoeding afgewezen. In een brief van 9 juli 2013 sluit de Raad voor de Rechtspraak, als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden, zich eveneens aan bij de aangevallen uitspraak en ziet de Raad in het gestelde door de gemachtigde van betrokkenen geen aanleiding een ander standpunt in te nemen.
Ten slotte is bij brief van 2 september 2013 namens de minister van Veiligheid en Justitie en de Raad voor de Rechtspraak gereageerd op het conclusieverzoek.
Tijdens de zitting was ik in mijn hoedanigheid als Staatsraad Advocaat-Generaal aanwezig en heb ik aan partijen vragen gesteld.
2.Het verzoek om een conclusie
Zoals bekend kunnen de voorzitter van de Afdeling, de president van de Centrale Raad van Beroep en de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven sinds de inwerkingtreding van artikel 8:12a Awb op 1 januari 2013 in zaken die in hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote kamer, een lid van een van de colleges verzoeken een conclusie te nemen.
(zie noot 12)Zoals de betrokken colleges hebben bekendgemaakt, hebben zij ervoor gekozen om twee personen, mr. L.A.D. Keus (advocaat-generaal bij de Hoge Raad) en ondergetekende, prof. mr. R.J.G.M. Widdershoven (hoogleraar Europees bestuursrecht aan de Universiteit Utrecht), uitsluitend voor het nemen van conclusies in hun colleges te benoemen.
(zie noot 13)Inmiddels zijn beiden benoemd tot staatsraad in buitengewone dienst in de Afdeling bestuursrechtspraak, en tot raadsheer-plaatsvervanger in de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Zij worden niet als rechter ingezet in zaken van de colleges. Hoewel de wet deze functie niet kent, worden zij in de praktijk veelal ‘Advocaat-Generaal’ genoemd. Om duidelijk te maken dat zij hun functie vervullen als staatsraad of raadsheer is ervoor gekozen om hen, afhankelijk van het college waarvoor zij een conclusie nemen, aan te duiden als Staatsraad Advocaat-Generaal of Raadsheer Advocaat-Generaal. Nu deze conclusie is genomen op verzoek van de voorzitter van de Afdeling, treed ik in deze zaak op als Staatsraad Advocaat-Generaal.
De conclusie is vraaggestuurd en heeft betrekking op rechtsvragen. De Staatsraad of Raadsheer Advocaat-Generaal kan daarom zijn conclusie beperken tot de gestelde vraag of vragen en hoeft in beginsel geen aandacht te besteden aan de toepassing van zijn standpunt op de feiten in de zaak waarin de conclusie is gevraagd. In zoverre lijkt de conclusie enigszins op die van een advocaat-generaal bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in een prejudiciële procedure. Overigens kunnen de gestelde vragen behoorlijk ruim zijn geformuleerd - zoals ook blijkt uit de vraag in deze zaak - en staat het de Staatsraad of Raadsheer Advocaat-Generaal los daarvan vrij om ook aandacht te besteden aan juridische kwesties die strikt genomen buiten de vraag vallen, maar die hij van belang acht voor de zaak en voor de problematiek die daarin aan de orde is. Evenmin is het hem ‘verboden’ om wel te adviseren over de toepassing van zijn standpunt in de concrete zaak. De conclusie geeft voorlichting aan het college, maar bindt het college niet (art. 8:12a, achtste lid, Awb).
Daarnaast geeft de zaak - en ook de beschrijving ervan in de brief van de voorzitter - aanleiding om aandacht te besteden aan de kwestie in hoeverre de duur van een prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie buiten beschouwing mag worden gelaten bij de beoordeling van een schending van de redelijke termijn in een procedure voor de Nederlandse bestuursrechter. Daarvoor is te meer reden omdat deze kwestie door de diverse rechterlijke colleges niet op alle punten eenduidig wordt benaderd. Deze kwestie wordt besproken onder punt 4.
3.Uniformering van de redelijke termijn in niet-punitieve zaken?
(zie noot 14)Deze context is dus ook van belang voor de - onder punt 4 te bespreken - tweede vraag. Vanaf punt 3.8 wordt specifiek ingegaan op de uniformeringsvraag.
Bij de beschrijving van de algemene context ligt de nadruk op de rechtspraak van het EHRM die van belang is voor het bestuursrecht, maar wordt bij onderwerpen die in de vragen niet ter discussie worden gesteld, ook de relevante Nederlandse rechtspraak vermeld.
(zie noot 15),
(zie noot 16)
Op grond van artikel 14, derde lid, onder (c), IVBPR, heeft een ieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging het recht ‘om zonder onredelijke vertraging te worden berecht’. Ook aan dit artikel wordt hierna geen aandacht besteed, omdat het in de discussies over de redelijke termijn geen rol speelt en bovendien een beperktere reikwijdte heeft dan artikel 6 EVRM Pro, aangezien het niet betrekking heeft op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen.
(zie noot 17)Van belang is nog steeds dat het opleggen van een bestraffende bestuurlijke sanctie - daaronder valt in elk geval de bestuurlijke boete - kwalificeert als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
(zie noot 18)Voor alle andere besluiten is de Straatsburgse kwalificatie voor Nederland echter niet meer van belang, omdat de Nederlandse bestuursrechters hebben geoordeeld dat het beginsel van rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 EVRM Pro mede ten grondslag ligt, en binnen de nationale rechtsorde en los van die verdragsbepaling geldt, ertoe noopt dat ook geschillen waarin - volgens vaste rechtspraak van het EHRM - niet sprake is van de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen, zoals geschillen over de toelating, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en belastingaanslagen,
(zie noot 19)binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht.
(zie noot 20)Omdat dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 EVRM Pro, sluiten de bestuursrechters voor de verdere uitwerking ervan aan bij de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot geschillen waarin de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen aan de orde is. Kort en goed, het vereiste van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro en alle rechtspraak van het EHRM over het vereiste geldt voor alle bestuursrechtelijke geschillen.
In zaken waarin de vaststelling van burgerlijke rechten en plichten aan de orde is, ligt het beginpunt (dies a quo) doorgaans op het moment waarop er een geschil ontstaat tussen de burger en de overheid.
(zie noot 21)Dat kan het moment zijn waarop een burger beroep instelt bij een rechterlijk college. Als voorafgaand aan de rechterlijke procedure een verplichte bestuurlijke voorprocedure moet worden doorlopen, vangt de redelijke termijn aan op het moment dat die voorprocedure aanhangig wordt gemaakt.
(zie noot 22)Voor het Nederlands bestuursrecht betekent het voorgaande dat het beginpunt doorgaans - tenzij rechtstreeks beroep openstaat op een bestuursrechter - ligt op dag waarop een bezwaarschrift wordt ingediend. In zaken waarin het bepalen van de gegrondheid van een strafvervolging (‘criminal charge’) aan de orde is, ligt het beginpunt op het moment van de ‘charge’, dat is ‘the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has commited a criminal offence’ en waardoor de situatie van betrokkene ‘has been substantially affected’.
(zie noot 23)Vertaald naar het punitief bestuursrecht is dat het moment waarop vanwege het bestuursorgaan jegens de burger een handeling wordt verricht waaraan hij de verwachting kan ontlenen dat het orgaan een boete zal opleggen.
(zie noot 24)Dit moment ligt derhalve eerder dan het moment van het indienen van het bezwaarschrift; doorgaans betreft het de datum van de boetekennisgeving.
Het eindpunt van de redelijke termijn (dies ad quem) ligt op het moment dat het geschil definitief is beëindigd en de rechtspositie van de burger definitief is vastgesteld.
(zie noot 25)Toegepast op het Nederlands bestuursrecht kan dat het moment zijn waarop de rechter de zaak - eventueel na toepassing van de bestuurlijke lus - finaal afdoet door het beroep te verwerpen, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. In het geval hoger beroep en/of cassatie is ingesteld, telt deze procedure en de eventuele procedure na terugwijzing ook mee voor het bepalen van de redelijke termijn. Als de rechter een besluit vernietigt met de opdracht aan het bestuur om een nieuw besluit te nemen, telt de periode die nodig is voor het nemen van dat nieuwe besluit, een eventuele vervolgprocedure bij de rechter (al dan niet in hoger beroep) en mogelijke nieuwe procedures naar aanleiding van die vervolgprocedure ook mee. Pas als het besluit niet langer wordt aangevochten of - als dat wel gebeurt - de rechter het geschil finaal heeft beslecht, is de rechtspositie van de burger definitief vastgesteld en eindigt de voor het bepalen van de schending van de redelijke termijn relevante periode.
(zie noot 26)Het EHRM beoordeelt zowel de duur van de gehele procedure, als die van de afzonderlijke onderdelen. Daarbij kan het zo zijn dat de redelijke termijn in de gehele procedure is overschreden, ook al hebben de afzonderlijke onderdelen (lang maar) niet onredelijk lang geduurd.
(zie noot 27)Omgekeerd kan het zo zijn dat de te lange duur van een bepaald onderdeel van de procedure kan worden gecompenseerd door de voortvarendheid in een ander onderdeel.
(zie noot 28)Deze mogelijkheid van compensatie wordt ook toegepast door de Nederlandse bestuursrechters.
(zie noot 29)Bovendien geldt in algemene zin dat voor de lengte van de redelijke termijn van de totale procedure ook het aantal instanties van belang is en wel in die zin dat het EHRM de redelijke termijn hiervan minder snel overschreden acht, naarmate zich meer instanties met het geschil hebben beziggehouden.
(zie noot 30)Het EHRM hanteert geen vaste redelijke termijnen voor de gehele procedure of de afzonderlijke onderdelen ervan, maar kiest voor een casuïstische beoordeling van elke zaak aan de hand van de hiervoor genoemde factoren. Beziet men de overvloedige rechtspraak,
(zie noot 31)dan valt op dat het EHRM voor wat betreft de redelijke termijn geen onderscheid maakt tussen ‘gewone’ (civil rights) procedures en procedures waarin een ‘criminal charge’ wordt vastgesteld.
(zie noot 32)Wel kan speciale voortvarendheid noodzakelijk zijn vanwege het belang van de zaak voor de klager in bijvoorbeeld arbeids- en pensioenzaken.
(zie noot 33)Verder kan worden opgemerkt dat de overschrijding van een wettelijke termijn voor het doen van een uitspraak op zichzelf niet betekent dat de redelijke termijn is overschreden,
(zie noot 34)ook al kunnen korte termijnen in het nationale recht wel een aanwijzing zijn van het belang dat de wetgever hecht aan een spoedige berechting.
(zie noot 35)Een goed onderbouwde poging om, ondanks alle casuïstiek, toch enige lijn in de rechtspraak van het EHRM te ontdekken, is gedaan door Feteris in zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, in BNB 2005/338.
(zie noot 36)Wat betreft de afzonderlijke onderdelen concludeert hij na analyse van een selectie van uitspraken van het EHRM die volgens hem ‘als ijkpunt zouden kunnen dienen’:
(zie noot 37)
Wat betreft de redelijke termijn van de totale procedure leidt de analyse van Feteris niet tot een algemene conclusie.
(zie noot 38)Uit de door hem vermelde rechtspraak kan heel voorzichtig worden afgeleid dat vier jaar voor twee instanties en zes jaar in het geval van drie rechterlijke instanties als regel door de beugel kunnen en meer dan vijf jaar voor twee instanties als regel te lang is. Ook hierbij spelen de omstandigheden van het geval echter een belangrijke rol.
Aan het voorgaande kan worden toegevoegd, dat het EHRM zich maar zelden heeft uitgelaten over de redelijke termijn van een verplichte bestuurlijke voorprocedure die aan het beroep op de rechter voorafgaat. Dit gebeurde bij mijn weten alleen in de zaak Schouten en Meldrum vs. Nederland, waarin het EHRM de duur van de - inhoudelijk enigszins complexe - procedure voor afgifte van een voor beroep vatbare beschikking van één jaar en 9 maanden (Schouten) en één jaar en 5 maanden (Meldrum) in strijd met het vereiste van de redelijke termijn achtte.
(zie noot 39)
(zie noot 40)In de zaak Kudla bepaalde het EHRM voor het eerst dat de lidstaten op grond van artikel 13 EVRM Pro moeten voorzien in een effectief rechtsmiddel in het kader waarvan overschrijdingen van de redelijke termijn aan de orde moeten kunnen worden gesteld. In Kudla en de daarop volgende jurisprudentie heeft het EHRM vervolgens uitgemaakt dat het weliswaar een voorkeur heeft voor een preventief rechtsmiddel waarmee de overschrijding van de redelijke termijn kan worden voorkomen, maar dat een lidstaat als ‘second best’ ook kan kiezen voor een uitsluitend compensatoir rechtsmiddel.
(zie noot 41),
(zie noot 42)Om als effectief compensatoir rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM Pro te kwalificeren, moet het rechtsmiddel betrekking hebben op alle fasen van de procedure, ook op een verplichte bestuurlijke voorprocedure,
(zie noot 43)in Nederland als regel de bezwarenprocedure. In strafrechtelijke zaken - en dus ook bij punitieve besluiten - is de voor hand liggende vorm van compensatie de reductie van de opgelegde straf/boete,
(zie noot 44)voor het overige vindt compensatie plaats door middel van schadevergoeding. Deze vergoeding moet volgens het EHRM niet alleen materiële schade betreffen, maar uitdrukkelijk ook immateriële schade. Daarbij geldt een sterk, maar weerlegbaar, vermoeden dat de klager als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn immateriële schade in de vorm van ‘anxiety, inconvenience and uncertainty’ heeft geleden.
(zie noot 45)Wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding geldt de schadevergoeding die een klager in Straatsburg zou hebben ontvangen op grond van artikel 41 EVRM Pro als vertrekpunt, maar laat het EHRM de lidstaten wel een zekere marge. De binnen het rechtsmiddel toegekende vergoeding mag vergeleken met de EHRM-standaarden echter ‘not unreasonable’ zijn en moet in lijn zijn met de ‘legal tradition’ en de levensstandaard van het betrokken land.
(zie noot 46)Bij de beoordeling van de vergoeding speelt bovendien de effectiviteit van het rechtsmiddel, alsmede de beschikbaarheid van versnellende of preventieve rechtsmiddelen een rol.
Om effectief te zijn, moet er voldoende duidelijkheid bestaan over de gevolgen en de ontvankelijkheidscriteria van het rechtsmiddel.
(zie noot 47)Bestaat er nauwelijks jurisprudentie over de beschikbaarheid van het rechtsmiddel of heeft de hoogste rechter het nog niet erkend, dan is aan deze eis niet voldaan. Verder moet het rechtsmiddel effectief en toegankelijk zijn en mogen de kosten ervan dus niet excessief zijn.
(zie noot 48)Daarbij kunnen eenvoudigere procedurele eisen en lagere proceskosten gelden om de drempel zo laag mogelijk te doen zijn. Het rechtsmiddel zelf mag natuurlijk niet onredelijk lang duren. In dat verband heeft het EHRM bepaald dat een termijn van vier maanden om te beslissen over de schadevergoeding voldoende snel is om als effectief te kunnen worden aangemerkt.
(zie noot 49)Verder geldt dat de periode voor uitbetaling van de schadevergoeding in elk geval niet langer dan zes maanden, vanaf van het opeisbaar worden ervan, mag duren.
(zie noot 50)Voldoet een nationaal rechtsmiddel aan deze eisen dan moet het door de klager worden uitgeput, voordat deze een procedure bij het EHRM kan starten (vgl. art. 35 EVRM Pro). Bovendien geldt dat een klager alleen als ‘slachtoffer’ in de zin van artikel 34 EVRM Pro wordt aangemerkt als het rechtsmiddel onvoldoende effectief is.
(zie noot 51)Zij werden hiertoe min of meer gedwongen, omdat de wetgever geen actie ondernam.
Het betreffende rechtsmiddel heeft zowel betrekking op de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan als door de rechter.
(zie noot 52)Wanneer de rechter op grond van zijn - hierna uitvoerig te bespreken - vuistregels het vermoeden heeft dat de redelijke termijn is geschonden en deze schending mede kan worden toegerekend aan de rechterlijke procedure,
(zie noot 53)heropent hij door middel van een verdragsconforme uitleg van artikel 8:73 Awb Pro het onderzoek, en wordt de Staat der Nederlanden met toepassing van artikel 8:26 Awb Pro (ook) als partij in die procedure aangemerkt. In de daarop volgende schadeprocedure bepaalt de rechter of de redelijke termijn werkelijk is overschreden (of dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat) en, als dat het geval is, stelt hij de schade vast die door het bestuursorgaan (voor overschrijdingen in de bestuurlijke fase), dan wel door de Staat (voor de overschrijdingen door de rechter) moet worden vergoed. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding geldt het - overigens weerlegbare - rechtsvermoeden dat de rechtszoekende als gevolg van de overschrijding ‘daadwerkelijke spanning en frustratie’ heeft geleden. Ter compensatie hiervan passen de bestuursrechters een standaardtarief van 500 Euro toe voor elke zes maanden dat de redelijke termijn is overschreden, met een afronding naar boven.
In 2010 was de toenmalige minister van Veiligheid & Justitie nog voornemens om het door de rechtspraak ontwikkelde rechtsmiddel ook wettelijk te regelen en werd een daartoe strekkende consultatieversie voor een wijziging van de Awb uitgebracht.
(zie noot 54)Volgens de huidige minister van V&J voorziet de bestuursrechtelijke jurisprudentie inmiddels echter op bevredigende wijze in de toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en is er geen dringende reden meer om met wetgeving ter zake te komen. Daarom is de aangekondigde wettelijke regeling niet langer in het departementale wetgevingsprogramma opgenomen.
(zie noot 55)
De keuze om (ook) in niet-punitieve zaken te werken met ‘standaardtermijnen’ is ongetwijfeld geïnspireerd door rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de redelijke termijn in zaken betreffende de (punitieve) fiscale boete. Al in zijn arrest van 22 april 2005,
(zie noot 56)gaf deze ‘algemene uitgangspunten en regels’ voor de beoordeling van de redelijke termijn van de onderdelen van de procedure, ‘waarnaar hij zich in fiscale boetezaken voortaan zal richten’. Daarmee trad de belastingkamer in het voetspoor van de strafkamer van de Hoge Raad die dergelijke regels en uitgangspunten voor (onderdelen van) de strafrechtelijke procedure al formuleerde in zijn arrest van 3 oktober 2000.
(zie noot 57)
(zie noot 58)
(zie noot 59)
(zie noot 60)die over de toepassing van de vuistregels stelt:
(zie noot 61)
(zie noot 62)Over dit aandachtspunt gaat deze conclusie.
(zie noot 63)Daarbij gaat het zowel om zaken waarin, na bezwaar, beroep in twee rechterlijke instanties openstaat, als - voor zover die zaken bij de betreffende bestuursrechter spelen - om zaken waarin een hoogste bestuursrechter in eerste en enige aanleg beslist.
(zie noot 64)
(zie noot 65)
3.4.4. Bij de hiervoor in 3.4.3 bedoelde toerekening heeft in belastingzaken als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (vgl. CRvB 26 januari 2009, nr. 05/01789, LJN BH1009, AB 2009/241). Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als bedoeld in onderdeel 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337."
(zie noot 66)omdat hij daarin duidelijk maakt dat de termijn van de bezwaarfase van een half jaar ook geldt in zaken,
(zie noot 67)
(zie noot 68)
Heeft - in zaken zoals deze - de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 12 november 2008 (LJN BG5163)."
(zie noot 69)te weten bezwaar en beroep op de CRvB in eerste en enige aanleg:
(zie noot 70)Op grond van deze bepaling is - in afwijking van artikel 7:10 Awb Pro - de beslistermijn in bezwaar 13 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van bezwaar is verstreken, een termijn die ingeval van bijzonder omstandigheden eenmaal met ten hoogste 4 weken kan worden verlengd. Indien de belanghebbende in het buitenland is gevestigd, worden deze termijnen ieder met 8 weken verlengd, zodat de beslistermijn maximaal 21 weken is en de verlengingstermijn maximaal 12 weken. In de rechtspraak heeft de Raad bepaald dat deze langere wettelijke beslistermijnen voor hem geen aanleiding zijn om voor de behandeling van aanspraken op grond van de Wuv in het algemeen uit te gaan van een langere behandelingsduur van het bezwaar dan de standaardtermijn van een half jaar. Ter onderbouwing hiervan overweegt de CRvB in zijn uitspraak van 9 december 2009, waarin de belanghebbende in het buitenland (België) gevestigd is, als volgt:
(zie noot 71)
(zie noot 72)waarin belanghebbende (vermoedelijk) in Nederland is gevestigd en waarin de Raad evenmin reden ziet om een langere behandelingsduur dan zes maanden gerechtvaardigd te achten. In een andere uitspraak van 8 november 2012,
(zie noot 73)waarin het gaat om een belanghebbende gevestigd in de Verenigde Staten, acht de Raad in de opstelling van betrokkene in de bezwaarfase wel grond gelegen om de toegestane behandelingsduur te verlengen, omdat deze heeft nagelaten om de van hem gevraagde stukken bij verweerder in te dienen. De totale behandelingsduur wordt in deze zaak verlengd met de periode gedurende welke de termijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 4:15 Awb Pro door verweerder is opgeschort.
(zie noot 74)
(zie noot 75)In asielzaken, waarin geen bezwarenprocedure bestaat, wordt een termijn gehanteerd van vier jaar: twee jaar voor de rechtbank en twee voor het hoger beroep bij de Afdeling.
(zie noot 76)Als de procedure bestaat uit een bezwarenprocedure en één rechterlijke instantie, dan acht de Afdeling in beginsel een lengte van ten hoogste drie jaar redelijk.
(zie noot 77)Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar duren en de behandeling van het beroep bij de Afdeling ten hoogste twee jaar.
Voor procedures voor besluiten die met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb worden voorbereid en waartegen vervolgens beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling open staat, geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn is overschreden indien de Afdeling later dan twee jaar na het instellen van beroep uitspraak heeft gedaan.
(zie noot 78)Voor een procedure betreffende de vaststelling van een bestemmingsplan, die onder de ‘nieuwe’ Wro ook met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb worden voorbereid, en waarin vervolgens rechtstreeks beroep in eerste en enige aanleg op de Afdeling openstaat, geldt (eveneens) een redelijke termijn van twee jaar na het instellen van het beroep.
(zie noot 79)Onder het regime van de ‘oude’ WRO, waarin was voorzien in de goedkeuring van het bestemmingsplan door het college van gedeputeerde staten en beroep in eerste en enige aanleg op de Afdeling, achtte de Afdeling in beginsel een totale termijn van drie jaar redelijk, waarbij de goedkeuringsfase ten hoogste één jaar en de behandeling van beroep ten hoogste twee jaar mocht duren.
(zie noot 80)
(zie noot 81)
(zie noot 82)Zij kunnen dus als standaardtermijnen worden beschouwd. Alleen bij specifieke categorieën zaken hanteert het College andere termijnen.
(zie noot 83)In de rechtspraak van het CBB heb ik geen zaak aangetroffen, waarin het College zich heeft uitgesproken over de standaardtermijnen die gelden in niet-punitieve zaken, waarin de procedure bestaat uit bezwaar en rechtspraak in twee instanties.
(zie noot 84)In de literatuur wordt vanwege het feit dat het CBB bij besluiten waartegen bezwaar en beroep in eerste en enige aanleg openstaat dezelfde termijnen hanteert als de Afdeling - één jaar bezwaar, twee jaar beroep voor het College - ervan uitgegaan dat het College bij besluiten waartegen bezwaar en beroep in twee instanties openstaat ook de Afdelingslijn zal volgen. Ook ik ga in het vervolg hiervan uit. In dat geval is de totale redelijke termijn vijf jaar, één jaar voor bezwaar en twee jaar voor zowel de rechtbank als het College zelf.
In zaken waarin na bezwaar beroep in eerste en enige aanleg op de colleges openstaat, hanteert de CRvB als standaardtermijnen: een half jaar bezwaar en twee jaar beroep in eerste en enige aanleg (totaal twee-en-een-half jaar). De Afdeling en het CBB hanteren als standaardtermijnen: één jaar bezwaar en twee jaar beroep in eerste en enige aanleg (totaal drie jaar). In zaken zonder bezwarenprocedure, hanteert de Afdeling als rechter in eerste en enige aanleg een standaardtermijn van twee jaar. Staat beroep in twee rechterlijke instanties (zonder bezwaar) open dan gelden bij de Afdeling standaardtermijnen van twee jaar voor de eerste aanleg en twee jaar voor het hoger beroep (totaal 4 jaar).
De standaard voor de redelijke termijn in punitieve zaken is gezet in het - al meermalen genoemde - arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, waarin de Hoge Raad als volgt overwoog.
(zie noot 85)
(zie noot 86)Ook bij hen geldt derhalve een totale redelijke termijn van vier jaar, waarbij de procedure tot de uitspraak van de rechtbank twee jaar mag duren en het hoger beroep ook twee jaar. De ‘eerste fase’ begint te lopen op het moment dat sprake is van een ‘criminal charge’. Zoals al aangegeven onder punt 3.5 is dat doorgaans het moment van de boetekennisgeving. Verder valt op dat de bestuursrechters in punitieve zaken geen nader onderscheid maken tussen de bestuurlijke fase en het beroep op de rechtbank. Dat is (als regel) ook niet nodig, omdat de overschrijding van de redelijke termijn bij deze zaken leidt tot een reductie van de (punitieve) bestuurlijke boete, waarbij het niet uitmaakt aan wie - het bestuursorgaan of de rechter - de overschrijding moet worden toegerekend.
Het CBB wijkt in mededingingsboetezaken generiek af van de redelijke termijn van twee jaar tot aan de uitspraak van de rechtbank. Daarbij maakt het College onderscheid tussen de gewone en de versnelde procedure. In gewone procedure geldt een totale redelijke termijn van vijf-en-een-half jaar:
(zie noot 87)twee jaar voor het bestuursorgaan, anderhalf jaar voor de rechtbank en twee jaar voor hoger beroep bij het College.
(zie noot 88)In de versnelde procedure geldt een totale termijn van vijf jaar: anderhalf jaar voor zowel het bestuursorgaan als de rechtbank en twee jaar voor het College. Deze langere termijnen worden als volgt gemotiveerd:
(zie noot 89)In die zaak overwoog de Hoge Raad als volgt.
a. de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of,
b. het strafrecht voor jeugdigen is toegepast.
In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het hiervoor gestelde eveneens. Behoudens bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdige personen is toegepast."
(zie noot 90)In dat verband verwijst hij naar het, door het Comité van Ministers bevestigde, oordeel van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens in de zaak
Marijnissen vs. Nederlanduit 1984,
(zie noot 91)waarin de Commissie van oordeel was dat de procedure in appel (bij het gerechtshof), die iets langer had geduurd dan 24 maanden, de toets der kritiek niet kon doorstaan.
De Hoge Raad heeft in latere arresten, waarvan vooral zijn arrest van 17 juni 2008 moet worden genoemd,
(zie noot 92)de regels en uitgangspunten voor overschrijdingen van de redelijke termijn in strafzaken opnieuw geformuleerd en op onderdelen aangepast. De redelijke standaardtermijnen voor de eerste aanleg en het hoger beroep zijn echter niet gewijzigd.
In het streven naar uniformering staat voor de minister het belang van een voor de rechtspraktijk eenvoudig te hanteren systeem voorop. Het is in het belang van de burger, de overheid en de rechterlijke macht dat, als eenmaal sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, de compensatie daarvoor alsnog zo snel mogelijk wordt geboden. Dat betekent - volgens de minister - dat afzonderlijke procedures over de (hoogte van de) vergoeding zo veel als mogelijk moeten worden vermeden. (...)
Vanuit dat perspectief bezien heeft de minister daarom de nodige aarzeling bij een, ten opzichte van de huidige stand in de rechtspraak, verdergaande of andersoortige differentiatie op basis van het type zaak. In de rechtspraak wordt spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn verondersteld aanwezig te zijn. Daarbij past volgens de minister niet dat vervolgens, los van de feiten en omstandigheden van de individuele zaak, op basis van het type zaak de redelijke behandelingsduur zou worden bepaald. Naar het oordeel van de minister is er geen goede rechtvaardiging te bedenken voor een dergelijke differentiatie. (…)"
De huidige differentiatie hangt uitsluitend samen met de bevoegde hoogste rechter. Is dat de Hoge Raad of CRvB dan geldt voor de procedure van bezwaar een half jaar en voor het beroep in eerste aanleg anderhalf jaar. Is dat de Afdeling of het CBB dan geldt een termijn van één jaar voor het bezwaar en een termijn van twee jaar voor het beroep in eerste aanleg. Voor het hoger beroep geldt bij allen een termijn van twee jaar. Betreft het een procedure van bezwaar en beroep in eerste en enige aanleg bij een van de colleges, dan geldt bij de CRvB een termijn voor bezwaar van een half jaar, en bij de Afdeling en het CBB van één jaar. Voor wat betreft het rechterlijk beroep in eerste en enige aanleg geldt bij allen een termijn van twee jaar. Dit verschil in hoogste rechter biedt op zich natuurlijk geen enkele rechtvaardiging.
Deze rechtvaardiging kan mijns inziens ook niet worden gevonden in het type zaken.
(zie noot 93)Zo zijn - om wat voorbeelden te noemen - de subsidiezaken van de Afdeling en het CBB en ook de toeslagzaken van de Afdeling qua complexiteit goed te vergelijken met de belasting- en sociale-zekerheidszaken van de Hoge Raad en de CRvB. De vreemdelingenzaken van de Afdeling zijn zowel voor wat betreft complexiteit als voor wat betreft het belang van betrokkene (what is at stake?) vergelijkbaar met de sociale-zekerheidszaken van de CRvB.
(zie noot 94)En tenslotte bestaat er - ook blijkens de rechtspraak van het EHRM - qua complexiteit of het belang van betrokkene geen wezenlijk verschil tussen niet-punitieve en punitieve zaken,
(zie noot 95)terwijl voor deze laatste bij alle bestuursrechters, ook bij de Afdeling en het CBB, een totale redelijke termijn geldt van vier jaar. Op dat laatste punt kom ik hierna, onder punt 3.14, terug.
Het enige verschil tussen zaken van de CRvB en Hoge Raad aan de ene kant en die van de Afdeling en het CBB aan de andere, is dat in de financiële zaken, waarover de CRvB en de Hoge Raad oordelen, vrijwel altijd sprake is van tweepartijengeschillen, terwijl in het ordenend bestuursrecht waarover de Afdeling en het CBB oordelen vaker sprake is van drie- of meer partijengeschillen. Dit verschil in (mogelijke) partijenconstellatie biedt mijns inziens echter geen rechtvaardiging voor differentiatie op het punt van de redelijke termijn aan de hand van dit criterium en wel om de volgende redenen. In de eerste plaats betekent het feit dat in diverse soorten zaken van de Afdeling en het CBB drie of meer partijen kunnen optreden, niet dat dit in al die zaken en/of in alle instanties die een zaak doorloopt, daadwerkelijk het geval is. In potentiële drie- of meer partijengeschillen kunnen feitelijk ook twee partijen optreden. Bovendien kan het aantal partijen in de loop van de procedure fluctueren; zo zullen er in hoger beroep over het algemeen minder partijen zijn dan in de fase van bezwaar. In de tweede plaats lopen de belangen van derden-belanghebbenden in een daadwerkelijk driepartijengeschil vaak parallel met die van een van de andere partijen en is de zaak in zoverre dus niet of nauwelijks complexer dan een tweepartijengeschil. In derde plaats, voor zover er niet sprake is van parallelle belangen, hangt de complexiteit van de zaak vooral af van de hoeveelheid derden-belanghebbenden en de variëteit van de door hen aangevoerde gronden. Een rechtvaardiging voor een langere termijn over de hele linie van zaken waarin meer dan twee partijen kunnen optreden, kan hierin niet worden gevonden. Aan het voorafgaande kan worden toegevoegd dat toepassing van het criterium (mogelijke) ‘drie- of meer partijengeschillen’ ook niet voldoet aan de wens - die wordt verwoord in de aan mij gestelde vraag en die blijkens de hiervoor geciteerde passages uit de brief van 2 september 2013 wordt ondersteund door de minister van V&J en de Raad voor de Rechtspraak - om een goed en eenvoudig hanteerbaar systeem te creëren.
Het voorgaande wil natuurlijk niet zeggen dat de rechter in een specifiek drie- of meer partijengeschil niet een redelijke termijn zou kunnen hanteren die langer is dan de uniforme termijn die ik hierna ga voorstellen. Dat kan wel - bijvoorbeeld om redenen van complexiteit van de concrete zaak - en de factoren van het EHRM bieden daarvoor ook de mogelijkheid. Daarbij is het wat mij betreft ook denkbaar dat een rechterlijk college - in navolging van de lijn van het CBB in mededingingszaken (zie punt 3.12) - op een specifiek terrein waarin de zaken vrijwel altijd bijzonder complex zijn, generiek kiest voor de hantering van langere redelijke standaardtermijnen. Overigens zou ik geen terrein kunnen noemen dat hiervoor (generiek) kwalificeert.
(zie noot 96)Zoals ik heb aangegeven onder punt 3.5 lijkt het EHRM voor een rechterlijke instantie in de regel een redelijke termijn van twee jaar te accepteren; voor de bestuurlijke voorprocedure is - gelet op de zaak Schouten en Meldrum - een termijn van anderhalf jaar onredelijk lang, maar kan een termijn van één jaar mogelijk wel. Bij deze stelling past overigens het nodige voorbehoud, omdat het EHRM niet werkt met vaste redelijke termijnen. Daarbij merk ik bovendien op dat over de redelijkheid van de door de Afdeling gehanteerde termijn van vijf jaar ook anders wordt gedacht. Zo acht Tak deze termijn ‘arbitrair en in afwijking van de Europese jurisprudentie’.
(zie noot 97)Hoewel vijf jaar voor de procedure van bezwaar en twee rechterlijke instanties vermoedelijk niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro, meen ik toch dat er goede redenen zijn om als uniforme termijn te kiezen voor een duur van vier jaar. In de eerste plaats is deze keuze met het oog op het EVRM ‘veiliger’. Een totale behandelingsduur van vijf jaar kan weliswaar vermoedelijk door de beugel van het EHRM, maar ligt, zeker bij minder complexe zaken, wel aan de rand van wat het EHRM nog acceptabel zal vinden. Gelet daarop ligt het niet voor de hand om over de hele linie - ook voor de zaken van de Hoge Raad en de CRvB - te kiezen voor een uniforme termijn van vijf jaar. Zou men dat wel doen, dan zouden deze rechters in nogal wat minder complexe zaken naar beneden moeten afwijken. Dat maakt het systeem niet eenvoudiger.
In de tweede plaats is deze keuze ingegeven door het belang van partijen. Vanuit hun optiek is een uniforme redelijke termijn van vier jaar nog steeds niet echt kort, ook al is zij beduidend korter dan de thans door de Afdeling en het CBB gehanteerde termijn van vijf jaar. In dit verband kan ook worden gewezen op het door Schreuder-Vlasblom gesignaleerde gevaar dat trage rechtspraak - voor haar is dat al een rechterlijke instantie die langer duurt dan een jaar - ‘snel aan functionaliteit als geschillenbeslechtende instantie in een beweeglijke, op een vrij hoge interactie-versnelling ingestelde samenleving als de onze’ verliest en ‘vrijwel neerkomt op mosterd na de maaltijd’.
(zie noot 98)Ook vanwege dit terecht gesignaleerde gevaar heeft een totale redelijke termijn van vier jaar de voorkeur boven een termijn van vijf jaar. Overigens kies ik hierna niet voor een redelijke termijn voor een rechterlijke instantie van één jaar, omdat - zoals Schreuder-Vlasblom ook aangeeft - deze eis verder gaat dan ‘ondergrens’ van het EHRM.
(zie noot 99)Dat neemt niet weg dat afronding van een rechterlijke instantie binnen één jaar maatschappelijk gezien wel wenselijk is.
Een derde reden om in niet-punitieve zaken te kiezen voor een uniforme termijn van vier jaar is dat aldus wordt aangesloten bij de uniforme termijn in punitieve zaken, waarbij nog moet worden opgemerkt dat in punitieve zaken het begin van de relevante termijn eerder ligt. Een dergelijke aansluiting is aangewezen, omdat - zoals in punt 3.13 al opgemerkt - punitieve en niet-punitieve zaken qua complexiteit en het belang van betrokkenen niet wezenlijk verschillen. Bovendien zou de keuze voor een uniforme termijn in niet-punitieve zaken van vijf jaar in het belastingrecht, waarin de fiscale boete veelal is gekoppeld aan de aanslag, ertoe leiden dat in dezelfde procedure twee redelijke termijnen voor de behandelingsduur gelden, vijf jaar voor de niet-punitieve aanslag en vier jaar voor de fiscale boete. Dat is niet alleen onpraktisch, maar ook nauwelijks verdedigbaar. Dat probleem zou natuurlijk kunnen worden opgelost door (ook) in alle bestuursrechtelijke punitieve zaken een uniforme termijn van vijf jaar te hanteren. Daarmee zouden de bestuursrechters de weloverwogen huidige keuze voor een uniforme termijn van vier jaar echter loslaten en neemt het gevaar op aanvaringen met het EHRM toe. Bovendien is deze optie vanuit de optiek van rechtseenheid met het strafrecht ongewenst. Zoals aangegeven in punt 3.12, merkt de Hoge Raad in strafzaken voor de feitenrechtspraak in eerste aanleg en hoger beroep een totale behandelingsduur van vier jaar als redelijk aan. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat ik geen rechtvaardiging kan bedenken waarom de totale redelijke termijn in bestuursrechtelijke punitieve en niet-punitieve zaken (generiek) één jaar langer zou moeten zijn dan in strafzaken.
Ten slotte wijs ik er nogmaals op dat de bestuursrechters aan de hand van de factoren van het EHRM in een specifieke zaak (of zelfs generiek) ‘naar boven’ af kunnen wijken van de uniforme redelijke termijn van vier jaar. Zoals in punt 3.13 aangegeven kan daarvoor reden zijn bij een heel complex drie- of meer partijengeschil. Een dergelijke afwijking kan natuurlijk ook ‘naar beneden’ plaatsvinden. In dit verband zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan zaken waarvoor de wetgever een maximale rechterlijke beslistermijn heeft vastgesteld,
(zie noot 100)omdat deze termijnen een indicatie bieden over wat in Nederland als ‘redelijk’ wordt beschouwd.
(zie noot 101)Daarbij merk ik wel op dat volgens vaste rechtspraak van het EHRM de overschrijding van een dergelijke wettelijke beslistermijn op zichzelf niet betekent dat ook de redelijke termijn is overschreden.
(zie noot 102)Op grond van het EVRM is er dus geen dwingende reden om bij deze zaken een kortere redelijke termijn te hanteren.
De eerste optie (optie A) is de verdeling die thans wordt toegepast door de Hoge Raad en CRvB: een half jaar bezwaar, anderhalf jaar beroep in eerste aanleg en twee jaar hoger beroep. Deze optie heeft als voordeel dat zij al wordt toegepast door twee van de hoogste bestuursrechters en dat zij goed aansluit bij de door alle hoogste bestuursrechters in punitieve zaken gehanteerde deeltermijnen.
Een bezwaar dat tegen optie A kan worden aangevoerd - en men ook wel hoort in kringen van de rechtbanken - is dat voor de rechtbanken in eerste aanleg een kortere redelijke termijn geldt dan voor de appelcolleges. Een dergelijk onderscheid tussen beide instanties wordt niet gemaakt door het EHRM en is wellicht wat vreemd, omdat de geschilpunten in hoger beroep veelal beter zijn uitgekristalliseerd. Daartegen kan overigens worden aangevoerd dat dit onderscheid verklaarbaar is gelet op de verschillende posities van beide instanties binnen de rechtspraak. De bedoeling van de eerste aanleg is dat burgers op relatief korte termijn een rechterlijk oordeel over hun zaak krijgen. In hoger beroep speelt dit punt in mindere mate en staat juist de reflectie op de zaak voorop.
(zie noot 103)Gelet hierop kan men een verschil tussen de redelijke termijn voor de rechtbanken en de appelcolleges op zich gerechtvaardigd achten.
Voor de bezwarenprocedure geldt in optie A een uniforme redelijke termijn van zes maanden. In de regel is de lengte van deze termijn - mede gelet op de wettelijke beslistermijn van artikel 7:10, eerste lid, Awb van 6 weken (als geen commissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb Pro is ingesteld) of 12 weken (als dat wel het geval is), met de mogelijkheid van verdaging van 6 weken (art. 7:10, derde lid, Awb) - zeker niet te kort. Soms geldt voor bepaalde besluiten, waarover de CRvB of Hoge Raad in laatste instantie oordelen, een wettelijke beslistermijn die (beduidend) langer is dan de beslistermijn van artikel 7:10 Awb Pro. Zoals aangegeven in punt 3.11 zijn deze langere wettelijke beslistermijnen voor beide hoogste rechters tot nu toe geen reden geweest om bij de desbetreffende besluiten generiek af te wijken van hun standaardtermijn voor bezwaar van een half jaar.
(zie noot 104)Bij de ABRS en het CBB komen - voor zover mij bekend - dergelijke langere wettelijke beslistermijnen in bezwaar niet voor. De vraag die voor de besluiten van deze colleges wel kan worden opgeworpen is in hoeverre een redelijke termijn voor bezwaar van een half jaar problematisch kan zijn in zaken waarin een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb Pro is ingesteld en waarin veel belanghebbenden bezwaar hebben gemaakt. Uiteraard geldt ook dan een wettelijke beslistermijn van 12 weken (met de mogelijkheid van verdaging met 6 weken en verder uitstel onder de voorwaarden van artikel 7:10, vierde lid, Awb). De beslistermijn begint volgens artikel 7:10, eerste lid, Awb te lopen vanaf de dag na die waarop de bezwarentermijn is verstreken en wordt opgeschort vanaf de dag dat een van de indieners van een bezwaar in staat wordt gesteld om een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb Pro te herstellen. De voor de redelijke termijn relevante periode vangt voor elke belanghebbende echter aan vanaf het moment dat de desbetreffende belanghebbende bezwaar heeft gemaakt en dat moment kan onder omstandigheden een aanzienlijk aantal weken voor het begin van de beslistermijn liggen.
(zie noot 105)In zo’n geval kan de naleving van de redelijke termijn van een half jaar ten aanzien van belanghebbenden die snel bezwaar hebben gemaakt, lastig zijn.
Dat die naleving lastig kan zijn, wil overigens niet zeggen dat zij onmogelijk is. Bovendien kan de rechter in een specifieke zaak op grond van de bekende factoren van het EHRM - bijvoorbeeld de complexiteit van de zaak - een langere redelijke termijn voor het bezwaar dan een half jaar toestaan. Ten slotte is het denkbaar dat de Afdeling of het CBB - in navolging van de lijn van het CBB in mededingingszaken (zie punt 3.12) - op een terrein waarin de zaken in de bezwaarfase vrijwel altijd bijzonder complex zijn, generiek kiest voor een langere redelijke standaardtermijn dan een half jaar.
(zie noot 106)8 maanden bezwaar, 20 maanden beroep in eerste aanleg en 20 maanden hoger beroep. In deze optie wordt de totale behandelingsduur derhalve niet opgedeeld in perioden van 6 maanden of een meervoud daarvan, hetgeen in het begin wellicht wat wennen is. In deze optie geldt voor het bezwaar een wat langere redelijke termijn, zodat de onder punt 3.15 genoemde mogelijke problemen niet of nauwelijks zullen spelen. Een mogelijk bezwaar hiertegen is natuurlijk dat 8 maanden voor de vele ‘reguliere’ bezwarenprocedures wel erg lang is. Verder kan men het als een voordeel van optie B beschouwen dat voor de eerste aanleg en het hoger beroep dezelfde redelijke termijn geldt. Daartegen kan men aanvoeren dat 20 maanden voor hoger beroep wellicht te kort is voor de noodzakelijke reflectie.
Optie B heeft twee consequenties die men bezwaarlijk kan vinden. In de eerste plaats wijken de termijnen in deze optie af van de standaardtermijnen die thans door alle hoogste bestuursrechters in niet-punitieve zaken worden toegepast en dat kan in elk geval in het begin leiden tot problemen bij de toepassing ervan. In de tweede plaats wijken de termijnen in optie B af van de standaardtermijnen die door alle hoogste bestuursrechters in punitieve zaken worden toegepast. Dat bemoeilijkt de toepassing ervan en kan in fiscale geschillen leiden tot de onwenselijke situatie dat in dezelfde zaak verschillende deeltermijnen voor de redelijke termijn gelden (zie punt 3.14). Gelet hierop zou de keuze voor optie B moeten leiden tot een heroverweging van de standaardtermijnen in punitieve zaken. Voor de procedure tot en met de rechtbank zou dan een totale termijn van 28 maanden gelden en voor het hoger beroep een termijn van 20 maanden. Daarmee wijken de termijnen echter af van die in strafzaken en dat is vanuit de optiek van rechtseenheid met het strafrecht minder gewenst.
Kiest de grote kamer voor optie B, dan geldt in deze zaken: 8 maanden voor bezwaar en 20 maanden voor het beroep in eerste en enige aanleg.
4.De redelijke termijn en de prejudiciële procedure
In de onderhavige zaak stellen appellanten dat de rechtbank de periode van drie jaar niet buiten beschouwing had mogen laten omdat er in de zaak van [appellant A] c.s. geen noodzaak was om de beantwoording van de prejudiciële procedure af te wachten. Bovendien is hen deze grond voor aanhouding pas op 6 juli 2009 door de rechtbank meegedeeld. Verweerders sluiten zich aan bij het oordeel van de rechtbank. Zie punt 1.7.
(zie noot 107)De meest uitvoerige motivering van zijn standpunt geeft het EHRM in de zaak Pafitis, waarin het als volgt overweegt.
(zie noot 108)- in gevaar. Verder speelt bij het oordeel van het EHRM een rol - althans zo begrijp ik overweging 97 van de zaak Pafitis - dat de prejudiciële procedure buiten de ‘jurisdiction’ van de Griekse rechters valt en zij geen mogelijkheid hebben om invloed uit te oefenen op de lengte ervan. Daaraan kan, zoals de CRvB terecht heeft opgemerkt in een uitspraak van 14 december 2012,
(zie noot 109)worden toegevoegd dat de nationale rechter geen inzicht heeft in de bij het Hof gevoerde procedure en daarom niet in staat is om te beoordelen of deze procedure binnen een redelijke termijn is afgerond.
(zie noot 110)
(zie noot 111)Gelet op de zaken Koua Poirrez en Mathy is deze kritiek voor het EHRM echter geen reden geweest om de lijn van Pafitis te verlaten.
Opvallend is verder dat het EHRM ook in de zaken Koua Poirrez en Mathy - die dateren van na de onder punt 3.8 besproken zaken betreffende de noodzaak van een effectief rechtsmiddel bij schendingen van de redelijke termijn - het niet van belang acht dat de rechtszoekende tegen mogelijke schendingen van de redelijke termijn in de prejudiciële procedure op Europees niveau een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro kan aanwenden. Dit punt komt wel aan de orde in de hiervoor al genoemde uitspraak van de CRvB van 14 december 2012,
(zie noot 112)waarin de Raad onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 juli 2009, in zaak C-385/07 P (Der Grüne Punkt),
(zie noot 113)dat betrekking had op de overschrijding van de redelijke termijn door het Gerecht van Eerste Aanleg in een mededingingszaak, als volgt overweegt:
(zie noot 114)Voor het niet-toerekenen van de prejudiciële procedure aan de nationale procesduur maakt dat gelet op de EHRM-rechtspraak niet uit, omdat het EHRM deze toerekening heeft afgewezen om de in punt 4.3 genoemde redenen en het deze ‘uitsluiting’ (derhalve) niet afhankelijk heeft gesteld van de beschikbaarheid van een effectief rechtsmiddel op Europees niveau. Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat het niet wenselijk zou zijn als een dergelijk rechtsmiddel op Unieniveau zou worden erkend. Dat is echter een kwestie die moet worden opgepakt door het Luxemburgse Hof, al dan niet onder druk van het EHRM. Voor het buiten beschouwing laten van de duur van de prejudiciële procedure in de nationale procedure is het bestaan van dit rechtsmiddel - naar mijn opvatting - echter niet bepalend.
(zie noot 115)
Over deze vraag heeft het EHRM nog geen oordeel gegeven, omdat een dergelijke zaak nog niet heeft gespeeld. De Nederlandse bestuursrechters zijn wel met enige regelmaat met deze kwestie geconfronteerd en passen alle de EHRM-lijn van de zaak Pafitis analoog toe. Ook in deze situatie wordt voor het bepalen van een schending van de redelijke termijn, de tijd die gemoeid is met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing derhalve niet meegerekend, voor zover althans het afwachten van de prejudiciële procedure in de aangehouden zaak ‘redelijk is’.
(zie noot 116)Deze rechtspraak betreft zowel de situatie dat de verwijzende rechter zelf andere zaken heeft aangehouden waarvoor de prejudiciële verwijzing relevant is, als de situatie dat een rechterlijk college - bijvoorbeeld een rechtbank - zaken heeft aangehouden omdat de door een ander rechterlijk college - bijvoorbeeld de ABRS - gestelde prejudiciële vragen voor de aangehouden zaken relevant zijn.
(zie noot 117)Onder de laatste groep valt ook de situatie dat een zaak wordt aangehouden vanwege een door een rechter van een andere lidstaat (Duitsland) gestelde prejudiciële vraag.
(zie noot 118)Ook in dat geval wordt de tijd die gemoeid is met het verkrijgen van de prejudiciële beslissing niet meegerekend.
Ook in deze situatie zou het niet buiten beschouwing laten van de prejudiciële procedure het stelsel van prejudiciële vragen negatief kunnen beïnvloeden. Dat zou er immers toe kunnen leiden dat een nationale rechter een zaak waarvoor een in een andere zaak gestelde prejudiciële vraag relevant is, niet aanhoudt wegens de dreigende overschrijding van de redelijke termijn, maar afdoet op grond van het nationale recht dat, gelet op de gestelde vraag, mogelijk in strijd is met het Unierecht. Daarmee komt de doelstelling van de prejudiciële procedure - het verzekeren dat het Unierecht onder alle omstandigheden in alle staten van de Unie dezelfde werking heeft (zie punt 4.3) - en de effectiviteit ervan in gevaar.
Verder geldt ook in deze situatie dat de nationale rechter geen enkele invloed heeft op de snelheid van behandeling van een prejudiciële vraag door het Hof en ook geen inzicht heeft in de bij het Hof gevoerde procedure. Hij is derhalve niet in staat om te beoordelen of deze procedure binnen een redelijke termijn is afgerond.
Ten slotte wijs ik erop dat bij een andere opvatting het gevaar bestaat dat nationale rechters, om te voorkomen dat zij worden ‘afgerekend’ op een overschrijding van de redelijke termijn door het Hof van Justitie, alle zaken die nu worden aangehouden - dat zijn er soms honderden - alsnog verwijzen naar het Hof. In dat geval geldt op grond van de zaak Pafitis immers dat de duur van de prejudiciële procedure buiten beschouwing wordt gelaten. Met een dergelijke gang van zaken is natuurlijk niemand gediend.
Ik acht het althans uitgesloten dat het Hof van Justitie op grond van artikel 268 VWEU Pro, in samenhang met artikel 340, tweede alinea, VWEU, de Europese Unie aansprakelijk zal houden voor de schade als gevolg van een te lange prejudiciële procedure in het geval de betreffende zaken (al dan niet terecht) zijn aangehouden door een nationale rechter wegens prejudiciële vragen in een andere zaak. Het Hof zou dan immers (ook) moeten oordelen over het handelen van de nationale rechter en dat past niet in de strikte bevoegdheidsverdeling tussen de Unierechter en nationale rechter in schadezaken.
(zie noot 119)Zoals in punt 4.4 al aangegeven is het buiten beschouwing laten van de duur van de prejudiciële procedure bij het bepalen van een schending van de redelijke termijn van een nationale procedure, echter niet afhankelijk van het bestaan van een effectief rechtsmiddel op Unieniveau.
Zoals onder punt 4.6 al aangegeven geldt het voorgaande alleen als het afwachten van de prejudiciële beslissing ‘redelijk’ is geweest gelet op - zoals ik het zou omschrijven - de omvang van geding, dan wel de rechtsstrijd in de aangehouden zaak. Deze wordt in hoofdzaak bepaald door de aangevoerde (feitelijke) gronden, maar omvat ook de eventuele ambtshalve ‘activiteiten’ van de rechter, het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden en de ambtshalve toetsing aan bepalingen van openbare orde. Als de prejudiciële vragen gelet op de omvang van geding niet relevant zijn voor de zaak, is het afwachten van de prejudiciële beslissing niet redelijk.
(zie noot 120)In dat geval wordt de periode van behandeling van de prejudiciële vragen door het Hof in de nationale procedure niet buiten beschouwing gelaten.
(zie noot 121)In rechtsoverweging 2.4 van de uitspraak staat dit uitgangspunt aldus verwoord: "[het] betreft hier de periode vanaf de dag van verzending van de prejudiciële vraagstelling aan het Hof op 1 november 2007 tot en met de dag van de ontvangst van het arrest van het Hof op 26 mei 2011."
(zie noot 122)Het betrof een zaak die werd aangehouden omdat de Raad in een andere zaak prejudiciële vragen had gesteld. Opmerkelijk is dat de verwijzingsuitspraak van latere datum is dan de datum waarop het beroep in de aangehouden zaak werd ingesteld. De termijn vanaf het instellen van beroep tot aan de verwijzingsuitspraak wordt in casu dus ook toegerekend aan de prejudiciële procedure.
(zie noot 123)heeft betrekking op een zaak die is aangehouden omdat het College in andere zaken prejudiciële vragen had gesteld. Uit de in de uitspraak genoemde data kan worden afgeleid dat de periode die buiten beschouwing wordt gelaten, aanving op het moment dat partijen op de hoogte zijn gebracht van de aanhouding van hun zaak op 23 april 2002 - dat was ruim acht maanden voordat in die andere zaken op 7 januari 2003 prejudiciële vragen werden gesteld - en is geëindigd op het moment dat de uitspraak van het CBB in de zaken waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld aan de partijen van de aangehouden zaak zijn toegezonden. In deze zaak is derhalve zowel een periode voorafgaand aan het stellen van de prejudiciële vragen als een periode na ontvangst van het arrest van het Hof toegerekend aan de prejudiciële procedure.
(zie noot 124)Op 29 juli 2009 werden in een andere zaak prejudiciële vragen gesteld. Op 17 december 2009 werd appellant bericht dat zijn hoger beroep (dat dateert van februari of maart 2009) is aangehouden in verband met de prejudiciële vragen. In deze zaak is derhalve niet de gehele duur van de prejudiciële procedure, maar het deel van de procedure nadat appellant op de hoogte is gesteld van de reden van de aanhouding van de zaak, buiten beschouwing gelaten.
(zie noot 125)Een van de redenen daarvoor is dat "niet is gebleken dat de rechtbank Zadkine in kennis heeft gesteld van haar beslissing de zaak aan te houden wegens de door de Afdeling gestelde vragen aan het Hof van Justitie, waardoor Zadkine niet de gelegenheid heeft gehad haar opvatting daarover aan de rechtbank kenbaar te maken."
(zie noot 126)
Het voorgaande moet naar mijn opvatting ook gelden als vertrekpunt in de situatie dat een zaak is aangehouden vanwege een in een andere zaak gestelde prejudiciële vraag. De periode die bij het bepalen van een schending van de redelijke termijn buiten beschouwing kan worden gelaten, is ook dan maximaal de periode vanaf de dag van de prejudiciële verwijzing tot de dag van de uitspraak van het Hof van Justitie.
De reden voor dit vertrekpunt is tweeledig. In de eerste plaats is het mijns inziens logisch dat nu in deze situatie de duur van de prejudiciële procedure met analoge toepassing van de zaak Pafitis wordt ‘uitgesloten’ (zie punt 4.7), ook de grenzen van die zaak voor wat betreft die ‘uitsluiting’ analoog worden toegepast. Doet men dat niet, dan leidt dat ertoe dat in de zaak die prejudicieel is verwezen een kortere periode buiten beschouwing kan worden gelaten dan in de zaken die zijn aangehouden vanwege die prejudiciële verwijzing. Dat lijkt mij niet goed verdedigbaar. In de tweede plaats geldt ook in deze situatie dat de nationale rechters het tempo bepalen van de periode die voorafgaat aan de prejudiciële verwijzing en de periode die volgt op de prejudiciële beslissing.
(zie noot 127)Dit geldt ook als de zaak eerder is aangehouden (en partijen van de aanhouding op de hoogte zijn gesteld) vanwege het feit dat het rechterlijke college in een andere zaak een prejudiciële vraag voorbereidde. Het beginpunt kan overigens wel (beduidend) later liggen dan de dag van verwijzing. Dat geldt sowieso voor zaken die pas na die verwijzing bij het rechterlijke college aanhangig zijn gemaakt. Bovendien zou volgens mij in algemene zin moeten gelden dat de ‘uitgesloten’ periode pas begint op het moment dat de ‘aanhoudende’ rechter partijen bij brief in kennis heeft gesteld van het feit dat hun zaak vanwege een prejudiciële verwijzing in een andere zaak wordt aangehouden. Hierop kom ik onder punt 4.13 terug.
Het vertrekpunt betekent anderzijds dat het eindpunt van de ‘uitgesloten periode’ de dag van de prejudiciële beslissing van het Hof is. Met deze stelling zie ik niet over het hoofd dat zaken ook na die beslissing (verder) worden aangehouden, omdat de aanhoudende rechter de uitspraak van de verwijzende rechter naar aanleiding van de prejudiciële beslissing afwacht. Een dergelijke verdere aanhouding kan zeker aangewezen zijn, omdat beslissingen van het Hof de nodige interpretatieruimte kunnen laten en de invulling hiervan eerst en vooral in handen ligt van het verwijzende (veelal hoogste) rechtscollege. Dat lagere rechters de uitspraak van dat college afwachten - zoals het geval was in de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Arnhem van 16 oktober 2012
(zie noot 128)- is daarom zeker te rechtvaardigen. Dat betekent volgens mij echter niet dat deze periode bij het bepalen van de schending van de redelijke termijn zonder meer buiten beschouwing kan blijven.
Dat de voor- en nafase van een prejudiciële procedure volgens mij niet buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het bepalen van een schending van de redelijke termijn in de nationale procedure, betekent overigens niet dat in het geval de procedure - mede vanwege de duur van beide fasen - de onder punt 3 genoemde standaardtermijnen heeft overschreden, de redelijke termijn zonder meer overschreden is. Het is immers denkbaar dat de lange duur gerechtvaardigd kan worden door de bijzondere omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld door de complexiteit van de zaak. Of dat zo is, moet echter worden bepaald op grond van de gang van zaken in de specifieke casus.
De hier voorgestane lijn wordt door de Afdeling gevolgd in de hiervoor vermelde uitspraken van 21 november 2012 en 30 juni 2010.
(zie noot 129)In de laatstgenoemde uitspraak wijst de Afdeling er mijns inziens terecht op dat een dergelijke mededeling partijen ook in staat stelt om hun opvatting over de aanhouding aan het rechterlijke college kenbaar te maken. Zij hebben dan immers de mogelijkheid te betogen dat de in een andere zaak gestelde prejudiciële vragen niet relevant zijn voor de behandeling van hun zaak. Hoewel de opvatting van partijen op dit punt niet zonder meer doorslaggevend hoeft te zijn, bestaat er aldus een extra waarborg tegen het aanhouden van zaken waarin dit mogelijk niet gerechtvaardigd is.
- In zaken waarin de prejudiciële vragen worden gesteld, vangt de termijn die buiten beschouwing mag worden gelaten aan op de dag van de uitspraak waarbij de prejudiciële vragen aan het Hof zijn gesteld. De termijn eindigt op de dag van het arrest van het Hof.
- In zaken die worden aangehouden omdat in een andere zaak prejudiciële vragen zijn of worden gesteld vangt de termijn die buiten beschouwing mag worden gelaten aan op het moment waarop partijen, nadat de prejudiciële vragen zijn gesteld, bij brief in kennis zijn gesteld van (de redenen voor de) aanhouding van hun zaak. De termijn eindigt op de dag van het arrest van het Hof.
Om te bepalen of de rechtbank hiermee, in het licht van mijn hiervoor weergegeven opvatting, correct heeft gehandeld, moet eerst worden bepaald of de aanhouding van de zaak door de rechtbank in verband met de door de Afdeling in de zaak Sahin gestelde prejudiciële vragen redelijk was, omdat deze vragen, gelet op de omvang van geding in de zaak van [appellant A] c.s., relevant waren voor deze zaak. Volgens de rechtbank was dat het geval, maar deze beslissing wordt in de uitspraak niet gemotiveerd.
Deze redenering is volgens mij in overeenstemming met de rechtspraak van de Afdeling betreffende de omvang van geding, volgens welke de door appellant aangevoerde gronden in beginsel bepalend zijn voor die omvang. Volgt men haar dan heeft de rechtbank de zaak van [appellant A] c.s. ten onrechte aangehouden en komt de periode van aanhouding niet voor rekening van de prejudiciële procedure. In dat geval kan deze periode bij het beoordelen van de schending van de redelijke termijn in de nationale procedure niet buiten beschouwing worden gelaten.
Mij zijn overigens geen zaken uit de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechters bekend, waarin artikel 8:69, tweede lid, Awb in een min of meer vergelijkbare zaak aldus is toegepast.
(zie noot 130)Niettemin ga ik ter voorlichting van de grote kamer - en wellicht ten overvloede - hierna nader in op de relevantie van de in de zaak Sahin gestelde vragen voor de legesheffing in de zaak van [appellant A] c.s..
(zie noot 131)waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld die hebben geleid tot de uitspraak van het Hof in de zaak Sahin, was de aanvraag van Sahin om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, buiten behandeling gesteld omdat de daarvoor verschuldigde leges niet tijdig waren betaald. Sahin betoogde onder meer dat het heffen van leges in strijd is met artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 van de Associatieraad,
(zie noot 132)omdat de legesheffing een nieuwe toelatingsbeperkende maatregel zou betreffen. Dit artikel luidt als volgt:
(zie noot 133)In de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2006 is een belangrijk punt in hoeverre Sahin ten tijde van de aanvraag rechtmatig in Nederland verbleef. Dit punt was relevant omdat het Hof in zijn uitspraak van 21 oktober 2003 in de gevoegde zaken C-317/01 en C-369/01 (Abatay en Sahin), had gesteld dat artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 alleen aan een Turkse onderdaan ten goede komt als hij zich legaal op het grondgebied van de betreffende lidstaat bevindt.
(zie noot 134)De positie van Sahin in de Afdelingszaak was in die zin complex, dat Sahin zich aan de Nederlandse regels voor de voor eerste toelating en verblijf had gehouden en gedurende een bepaalde periode legaal arbeid in loondienst had verricht, maar niet tijdig om verlenging van de geldigheidsduur van de hem verleende verblijfsvergunning had verzocht, waardoor hij na afloop van die vergunning en ten tijde van de aanvraag om verlenging ervan naar nationaal recht geen rechtmatig verblijf had en evenmin gerechtigd was om arbeid te verrichten. Tegelijkertijd werd Sahin met ingang van de datum van de aanvraag weer beschouwd als legaal en bepaalde het Nederlandse recht dat de aanvraag van een vreemdeling in de situatie van Sahin weliswaar (formeel) gelijk werd gesteld met de aanvraag om een (eerste) verblijfsvergunning te verlenen, maar (materieel) werd getoetst aan de vereisten, gesteld voor toelating voor voortgezet verblijf van een legaal in Nederland verblijvende vreemdeling.
(zie noot 135)Daarom kon - aldus de Afdeling - worden betoogd dat Sahin, ook in de periode van illegaal verblijf en illegaal verrichte arbeid waarin hij zijn aanvraag deed, zich kon beroepen op de rechten die artikel 13 regelt Pro. De eerste prejudiciële vraag van de Afdeling betrof vervolgens, kort en goed, of een vreemdeling in de situatie van Sahin beroep kan doen op artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80.
In het vervolg van de uitspraak van 11 mei, behandelt de Afdeling, voor het geval Sahin inderdaad beroep kan doen op artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80, de vraag of de heffing van leges een beperking kan zijn in de zin van artikel 13 van Pro dat besluit. In dat verband wordt overwogen dat op 1 december 1980, de dag waarop artikel 13 van Pro toepassing werd, geen wettelijke verplichting bestond om leges te betalen ter zake van een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf, dan wel verlenging ervan. Eerst sinds het van kracht worden van de Vreemdelingenwet 2000 en het Voorschrift vreemdelingen op 1 april 2001 is voor een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning leges verschuldigd en eerst bij regeling van 27 maart 2002 is de legesheffing voor het verlengen van de geldigheidsduur van een verleende verblijfsvergunning ingevoerd. De Afdeling overweegt vervolgens als volgt:
"2a. Dient de term "beperking" in artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 aldus te worden uitgelegd, dat daaronder de verplichting tot het betalen van leges terzake van de afdoening van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning valt die een vreemdeling, onderdaan van Turkije, die onder het toepassingsbereik van besluit nr. 1/80 valt, verschuldigd is, bij gebreke waarvan zijn aanvraag op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 buiten behandeling wordt gesteld?"
(zie noot 136)zo moet worden uitgelegd dat het bedrag van de leges (destijds 169 Euro) voor Turkse onderdanen, die onder het toepassingsbereik van besluit nr. 1/80 vallen, ter zake van de afdoening van een aanvraag om een verlening van een verblijfsvergunning dan wel verlenging hiervan, niet mag uitgaan boven het bedrag van de leges (30 Euro) die kunnen worden geheven ten aanzien van onderdanen van de EG voor afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument.
(zie noot 137)Dit impliceert dat het oordeel van het Hof over de Nederlandse legesverplichting voor een Turkse werknemer als Sahin in het licht van artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80, ook relevant is voor de beoordeling van deze verplichting voor een Turkse zelfstandige als [appellant A], in het licht van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol.
(zie noot 138)Ook het antwoord van het Hof in de uitspraak van 17 september 2009, waarin het Hof - kort gezegd - bepaalt dat het bedrag van legesheffing voor verblijfsvergunningen aan Turkse staatsburgers niet onevenredig mag zijn aan het bedrag dat wordt gevraagd van gemeenschapsburgers (zie reeds punt 1.3), betrof de specifieke situatie van Sahin, waarbij het Hof van mening lijkt te zijn dat in zijn situatie voldaan is aan de voorwaarden van legaal verblijf van artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 (ook al laat men het eindoordeel op dit punt aan de nationale rechter).
(zie noot 139)Op de situatie van [appellant A], die niet voldeed aan de voorwaarden voor legaal verblijf, heeft de uitspraak van het Hof geen betrekking. De conclusie is dan ook dat de door de Afdeling in de zaak Sahin gestelde vragen als zodanig niet relevant waren voor het beroep van [appellant A] c.s.
(zie noot 140)In deze zaak had Advocaat-Generaal Geelhoed op 12 september 2006 geconcludeerd, dat deze bepaling niet van toepassing was op de procedure voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat van een Turkse onderdaan die voornemens is in die lidstaat een bedrijf te stichten. Het Hof oordeelde echter in zijn arrest van 20 september 2007 anders en verklaarde voor recht.
(zie noot 141)
In punt 4.14 heb ik aangegeven dat in een geval als dat van [appellant A] c.s. - waarin de zaak wordt aangehouden omdat in een andere zaak prejudiciële vragen zijn gesteld - de termijn die bij het vaststellen van een schending van de redelijke termijn in de nationale procedure buiten beschouwing kan worden gelaten, omdat zij kan worden toegerekend aan de prejudiciële procedure, naar mijn opvatting pas moet aanvangen op het moment waarop partijen bij door de aanhoudende rechter bij brief in kennis worden gesteld van (de redenen van) aanhouding van hun zaak. Een dergelijke brief is door de rechtbank verstuurd op 6 juli 2009. In deze brief wordt de aanhouding echter uitsluitend gemotiveerd onder verwijzing naar de prejudiciële vragen die de Afdeling in 2006 heeft gesteld in zaak C-242/06 (Sahin). Dat is naar mijn opvatting een onvoldoende redengeving voor de aanhouding, omdat - zoals hiervoor in punt 4.21 aangegeven - de vragen in de zaak Sahin op zich niet relevant waren voor de zaak van [appellant A] c.s. (maar alleen in relatie met de zaak Tum en Dari).
Het voorgaande heeft - naar mijn opvatting - tot gevolg dat de gehele periode waarin de zaak door de rechtbank is aangehouden niet kan worden toegerekend aan de prejudiciële procedure en dus bij het bepalen van de schending van de redelijke termijn van de nationale procedure niet buiten beschouwing kan worden gelaten.
Het beginpunt hiervan is in deze optie - conform mijn standpunt in punt 4.14 - 6 juli 2009, de datum van de brief waarin de rechtbank [appellant A] c.s. op de hoogte stelde van aanhouding van hun zaak. Wat betreft het eindpunt van de aan de prejudiciële procedure toe te rekenen termijn heeft de rechtbank gekozen voor 23 november 2009, het moment dat [appellant A] c.s. hun beroep hebben ingetrokken. Gelet op het in punt 4.14 ingenomen standpunt - dat is gebaseerd op de zaak Pafitis - ligt dat tijdstip te laat en had de rechtbank moeten kiezen voor 17 september 2009, de dag waarop het Hof arrest wees in de zaak Sahin.
In deze optie kan dus alleen de periode van 6 juli 2009 tot 17 september 2009 aan de prejudiciële procedure worden toegerekend en kan alleen deze periode bij het bepalen van de redelijke termijn van de nationale procedure buiten beschouwing worden gelaten.
- Primair, omdat de zaak Sahin, waarin de rechtmatigheid van de legesheffing aan Turkse staatsburgers in het licht van artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 aan de orde was, niet relevant was voor de zaak van [appellant A] c.s., omdat het in de laatstgenoemde zaak ging om de toepassing van het lik-op-stukbeleid bij de legesheffing (punt 4.14).
- Subsidiair, voor het geval de grote kamer van oordeel mocht zijn dat de rechtbank de in de zaak Sahin spelende kwestie, met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden, in haar beoordeling had moeten betrekken, omdat de rechtbank in haar brief van 6 juli 2009 de aanhouding uitsluitend heeft beargumenteerd onder verwijzing naar de zaak Sahin, terwijl deze zaak op zichzelf niet relevant was voor de zaak van [appellant A] c.s. (punt 4.22).
5.Conclusie
Staatsraad Advocaat-Generaal