ECLI:NL:CBB:2018:354

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 juli 2018
Publicatiedatum
18 juli 2018
Zaaknummer
16/33
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:60 WftArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verval van procesbelang na ontbinding BV

Appellante, een besloten vennootschap, had hoger beroep ingesteld tegen een boetebesluit van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat was bevestigd door de rechtbank Rotterdam. Na een tussenuitspraak werd het boetebedrag verlaagd en werd een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Tijdens de procedure bleek uit het Handelsregister dat appellante per 31 mei 2017 was ontbonden en is opgehouden te bestaan. Zowel AFM als de gemachtigde van appellante bevestigden dit. Het College stelde vast dat appellante geen belang meer had bij voortzetting van de procedure omdat zij niet langer bestond.

Het College besloot daarop het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het vervallen van het procesbelang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De zaak werd zonder zitting afgedaan.

Uitkomst: Het hoger beroep van de ontbonden BV is niet-ontvankelijk verklaard wegens verval van het procesbelang.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 16/33
22311

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2018 op het hoger beroep van:

[naam] B.V., te [plaats] , appellante (gemachtigde: mr. drs. M.R. Hosemann),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2015, kenmerk ROT 15/2064, in het geding tussen

appellanteende Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM)

(gemachtigden: mr. A.J. Boorsma en mr. C.A. Geleijnse).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 3 december 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:8759).
Bij tussenuitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:206) heeft het College AFM opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en daarbij de geconstateerde gebreken te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft AFM bij besluit van 26 september 2017 opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. AFM heeft de aan appellante wegens overtreding van artikel 2:60, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht opgelegde boete van € 2.000.000,- verlaagd tot een bedrag van € 397.500,-.
Appellante heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van het besluit van 26 september 2017.
AFM heeft een reactie op de zienswijze van appellante ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Bij brief van 14 juni 2018 heeft AFM bericht dat haar bij raadpleging van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (Handelsregister) is gebleken dat appellante met ingang van 31 mei 2017 is ontbonden en is opgehouden te bestaan.
Bij brief van 20 juni 2018 heeft de gemachtigde van appellante bericht dat ook zij heeft geconstateerd dat appellante per 31 mei 2017 is ontbonden.
Bij brief van 20 juni 2018 heeft AFM een nadere reactie ingediend.
Bij brief van 20 juni 2018 heeft de gemachtigde van appellante een nadere reactie ingediend.
Bij brief van 21 juni 2018 heeft het College partijen bericht dat de geplande behandeling van de zaak ter zitting van 25 juni 2018 geen doorgang zal vinden.
Het College heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1
Het College overweegt als volgt.
1.2
Uit het Handelsregister blijkt dat op 20 juni 2017 is geregistreerd dat appellante door een ontbindingsbesluit is ontbonden en is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 31 mei 2017.
1.3
AFM heeft onder verwijzing naar de uitspraak van het College van 19 maart 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:121) aangevoerd dat het voorgaande meebrengt dat het belang bij voortzetting van de procedure is komen te vervallen.
1.4
Het College heeft appellante in de gelegenheid gesteld op de stelling van AFM te reageren. Haar gemachtigde heeft meegedeeld dat ook zij heeft geconstateerd dat appellante is ontbonden. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellante nader meegedeeld geen opvatting te hebben over de vraag of appellante nog belang heeft bij voortzetting van de procedure.
1.5
Het College stelt vast dat namens appellante niets is aangevoerd waaruit blijkt dat zij thans, nu zij is opgehouden te bestaan, belang heeft bij voortzetting van de procedure. Dat belang is voor het College ook anderszins niet gebleken. Bij die stand van zaken en gelet op hetgeen het College in genoemde uitspraak van 19 maart 2018 heeft overwogen is het College van oordeel dat het belang van appellante bij voortzetting van het hoger beroep is komen te vervallen.
2.1
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
2.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. M.M. Smorenburg en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. J.J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.
w.g. W.A.J. van Lierop
w.g. J.J. de Jong