Appellanten, landbouwers met landbouwgronden in het Natura 2000-gebied Rijntakken, verzochten de minister van Landbouw om hun grasland uit te zonderen van het verbod tot omzetten en ploegen en om schadevergoeding wegens het scheurverbod. Dit verbod vloeit voort uit de aanwijzing van blijvend grasland als ecologisch kwetsbaar op grond van artikel 2.15 van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.
De minister wees deze verzoeken af en verklaarde de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek tot omzetten en ploegen ongegrond en de bezwaren tegen het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk. Appellanten stelden dat het scheurverbod hun bedrijfsvoering schaadt en dat zij recht hebben op nadeelcompensatie wegens schending van het evenredigheidsbeginsel.
Het College oordeelde dat de aanwijzing in de Uitvoeringsregeling een algemeen verbindend voorschrift is, waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. De afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is dan ook geen besluit waartegen bezwaar of beroep mogelijk is. Het College is wel bevoegd om kennis te nemen van de beroepen, maar verklaart deze ongegrond. Appellanten kunnen zich voor schadevergoeding wenden tot de burgerlijke rechter.
De uitspraak bevestigt dat nadeelcompensatie bij rechtmatig overheidshandelen niet via bestuursrechtelijke procedures kan worden afgedwongen en benadrukt de begrenzing van het bestuursrechtelijk beroep tegen algemeen verbindende voorschriften.