ECLI:NL:RVS:2018:1516
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- E.A. Minderhoud
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na onrechtmatige intrekking verblijfsvergunning
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van haar verzoek om schadevergoeding door de staatssecretaris, naar aanleiding van de onrechtmatige intrekking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 1 september 2011.
Appellant stelde materiële en immateriële schade te hebben geleden, waaronder het verlies van studiefinanciering, het onderbreken van haar studie in Portugal, het niet kunnen werken of gebruikmaken van sociale voorzieningen, het opbouwen van schulden en gezondheidsklachten. De staatssecretaris betwistte de onderbouwing van de schade en het oorzakelijk verband met het onrechtmatige besluit.
De Afdeling oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor de gestelde schade en het oorzakelijk verband. Zo was niet aannemelijk dat zij daadwerkelijk studeerde in Portugal en had zij geen medische onderbouwing voor haar psychische klachten. Ook was onduidelijk of terugvordering van studiefinanciering nog aan de orde was. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Afdeling benadrukte het relativiteitsvereiste en de bewijslast bij de verzoeker om schadevergoeding. Tevens werd ambtshalve de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam gecorrigeerd naar de rechtbank Den Haag, maar dit leidde niet tot een andere uitkomst.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.