ECLI:NL:CBB:2018:450
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tegemoetkoming schade door maatregelen tegen bacterie Ralstonia solanacearum in rozenkwekerij
Appellante exploiteert een rozenkwekerij waar de bacterie Ralstonia solanacearum (RS) werd vastgesteld. Verweerder legde maatregelen op om de verspreiding van deze bacterie te bestrijden, waaronder vernietiging van besmette planten. Appellante vroeg op grond van artikel 4 van Pro de Plantenziektenwet (Pzw) om een tegemoetkoming in de door deze maatregelen veroorzaakte schade, maar dit verzoek werd afgewezen.
Het College overwoog dat het normale bedrijfsrisico van een professionele teler inhoudt dat schade door plantenziekten kan optreden, ook als deze niet op voorhand te verwachten is. De bacterie RS was bekend als schadelijk voor diverse plantensoorten en sinds 2015 ook voor rozen, zodat het risico op besmetting niet als onvoorzienbaar kan worden beschouwd. De schade wordt veroorzaakt door de bacterie zelf en niet door de bestrijdingsmaatregelen, waardoor geen causaal verband bestaat tussen maatregelen en schade.
Appellante voerde aan dat de besmetting met RS in rozen onverwacht was en dat de DNA-profielen van de bacterie in rozen uniek zijn, hetgeen een uitzondering op het normale bedrijfsrisico zou vormen. Ook stelde zij dat zij tussen wal en schip raakt doordat civiele rechters de besmetting als onvoorzienbaar beschouwen, terwijl het bestuursrecht dit niet doet. Het College verwierp deze argumenten en bevestigde dat het beroep ongegrond is.
De uitspraak volgt eerdere uitspraken van het College waarin vergelijkbare verzoeken werden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2018.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om tegemoetkoming in schade wordt ongegrond verklaard.