ECLI:NL:CBB:2018:476
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling subsidiabiliteit landbouwgrond en graasdierpremie in GLB-uitbetaling
Appellant heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit inzake toekenning van betalingsrechten, uitbetaling van de graasdierpremie en vaststelling van subsidiabele hectares voor het jaar 2015.
De minister heeft in herziene besluiten een deel van de oorspronkelijke besluiten ingetrokken en herzien, waarbij een aantal betalingsrechten en bedragen voor basis- en vergroeningsbetalingen zijn toegekend. De beroepen tegen de oorspronkelijke besluiten zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij de beoordeling daarvan.
Het geschil richt zich op de subsidiabiliteit van diverse percelen landbouwgrond, waarbij de minister heeft vastgesteld dat bepaalde percelen niet subsidiabel zijn vanwege natuurlijke kenmerken zoals vernatting en verruiging, en dat de opgegeven oppervlaktes deels onjuist waren vastgesteld. Appellant heeft dit betwist met onder meer een verklaring van Staatsbosbeheer, maar het College acht deze onvoldoende om de ministeriële beoordeling te weerleggen.
Daarnaast is in geschil of de graasdierpremie terecht op nul is vastgesteld, omdat het aantal runderen gecorrigeerd wordt op basis van het aantal subsidiabele hectares, wat resulteert in een hoger aantal toegerekende runderen dan daadwerkelijk gehouden. Het College oordeelt dat de correctie juist is toegepast en geen onzorgvuldigheid is gebleken.
De beroepen tegen de herziene besluiten worden ongegrond verklaard, de beroepen tegen de oorspronkelijke besluiten niet-ontvankelijk. Het College veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Beroepen tegen herziene besluiten worden ongegrond verklaard en proceskosten worden aan appellant toegekend.