Uitspraak
1.[naam 1] B.V. (voorheen [naam 2] B.V.),
2.[naam 4] B.V.,
3.[naam 9] B.V., te [plaats 3]
4.de Autoriteit Consument en Markt (ACM)
5.[naam 12] B.V.,
ACM.
Aalborg Portland, ECLI:EU:C:2004:6, overweging 81 e.v.). De omstandigheid dat de [naam 23] -wasserijen in meer of mindere mate en in weerwil van de afspraak met elkaar hebben geconcurreerd, doet aan hun betrokkenheid bij de afspraak niet af. Het College merkt in dat verband overigens op dat ACM in het primaire besluit en het bestreden besluit, onder verwijzing naar de relevante stukken in het dossier, verschillende voorbeelden heeft genoemd waaruit blijkt dat partijen zich aan de afspraak hielden en tevens elkaar aanspraken op naleving van de afspraak. Het College volstaat op deze plaats met een verwijzing naar het dossier waaruit bijvoorbeeld blijkt dat [naam 9] in 1999 een viertal offerteaanvragen van potentiële klanten die waren gevestigd in het verzorgingsgebied van een andere [naam 23] -franchisenemer, om die reden aan de betreffende [naam 23] -franchisenemer heeft doorgestuurd. In zoverre is van een dode letter geen sprake.
Cartes Bancaires, ECLI:EU:C:2014:2204, heeft het Hof van Justitie benadrukt dat het begrip ‘mededingingsbeperkende strekking’ restrictief geïnterpreteerd dient te worden om te voorkomen dat een mededingingsautoriteit zou worden ontslagen van haar verplichting om de concrete effecten op de markt aan te tonen van overeenkomsten waarvan niet is bewezen dat zij naar hun aard zelf schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging. Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een coördinatie tussen ondernemingen een mededingingsbeperkende strekking heeft, valt samen met de vraag of die coördinatie op zich de mededinging in voldoende mate aantast. Die toets heeft de rechtbank niet uitgevoerd. De rechtbank heeft verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 20 januari 2016, zaak C-373/14 P,
Toshiba, ECLI:EU:C:2016:26, en daaruit afgeleid dat voor marktverdelingsafspraken een zeer lage bewijsstandaard geldt waardoor volstaan kan worden met een beperkt contextonderzoek. Volgens [naam 1] is het feitencomplex dat hier aan de orde is, evenwel volstrekt onvergelijkbaar met dat in
Toshiba. Anders dan het zuivere marktverdelings- en aanbestedingskartel in
Toshiba, stond de [naam 23] -rayonnering in een breder, legitiem kader. Dat kader was de [naam 23] -formule. Primair stelt [naam 1] zich op het standpunt dat [naam 23] een verticaal franchiseverband vormde, subsidiair was [naam 23] ten minste een al dan niet horizontaal samenwerkingsverband dat zich richtte op onderzoek en ontwikkeling met als doel innovaties ten behoeve van de klant te realiseren en de interbrand concurrentie aan te gaan met landelijke spelers. [naam 23] Nederland voldeed aan alle kenmerken van een echte franchiseformule: een eigen handelsnaam en beeldmerk; knowhow die tegen betaling van een franchisevergoeding aan franchisenemers werd aangeboden voor het gebruik en de distributie van textielproducten en -diensten; commerciële en technische bijstand; uniforme producten en diensten; en alleenverkoop ter bevordering van interbrand concurrentie en ter voorkoming van meeliften. De franchisenemers van [naam 23] Nederland waren kleine, regionale wasserijen die met de verworvenheden van de destijds succesvolle franchiseformule effectief konden concurreren met de ‘grote jongens’ zoals [naam 24] , [naam 28] en [naam 29] . Het doel van de rayonnering was dan ook concurrentiebevorderend: de verplichting om zich te concentreren op het eigen rayon leverde een nieuw sterk merk op dat steeds beter de felle interbrand concurrentie met de gevestigde orde aankon. Volgens [naam 1] mag ACM de rayonnering niet isoleren van de totale franchiseformule en hetgeen met die formule als geheel werd beoogd. Voorts bood de [naam 23] -rayonnering in ieder geval na 10 april 2002 geen absolute gebiedsbescherming. Passieve verkopen waren na die datum in elk geval volledig vrij. Het overgrote deel van de door [naam 1] in de relevante periode behaalde omzet komt voort uit passieve verkoop. Ook om die reden is de rayonnering volstrekt niet te vergelijken met een klassieke marktverdeling. Verder wijst [naam 1] erop dat [naam 23] Nederland, en daarmee tevens de rayonnering functioneerde in de volledige openbaarheid en niet heimelijk. In de restrictieve uitleg van het begrip mededingingsbeperkende strekking die het Hof van Justitie voorstaat, is voor [naam 1] duidelijk dat de [naam 23] -rayonnering niet gelijkgesteld kan worden aan het evidente heimelijke kartel dat het voorwerp was van de beschikking die aanleiding gaf tot het wijzen van het
Toshiba-arrest. Dit betekent dat ACM wel degelijk een volledig contextonderzoek à la
Cartes Bancaireshad moeten uitvoeren.
Toshiba-arrest op een volledig onvergelijkbare casus sprake is van nog een tweede dwaling van de rechtbank in het kader van de vaststelling van de mededingingsbeperkende strekking van de verweten gedraging. Volgens [naam 1] is de besluitvorming van ACM niet gebaseerd op (zorgvuldig en gedegen) onderzoek naar de wasserijmarkt en de wijze waarop deze markt functioneert. De beschrijving door ACM is onvolledig en gebrekkig en toont aan dat zij onvoldoende oog heeft gehad voor de karakteristieken van de textielreinigingsmarkt. Het door ACM verrichte onderzoek - dat feitelijk alleen maar bestaat uit een niet-representatieve enquête uit 2010 - kan niet worden aangemerkt als een beperkte contextanalyse. Een deugdelijke onderbouwing van haar standpunt dat de markt nationaal was, heeft ACM niet geleverd en ook naar de concurrentiestelling door zorginstellingen heeft ACM geen deugdelijk onderzoek verricht. ACM toont daardoor niet aan in welke gebieden de [naam 23] -franchisenemers concurrentiedruk op elkaar konden uitoefenen en in welke mate. ACM heeft volstaan met het definiëren van de actieradius van een ‘wasserij’ als 50-150 kilometer en vervolgens geconstateerd dat steeds minimaal twee [naam 23] -franchisenemers met elkaar konden concurreren. De rechtbank heeft geoordeeld dat ACM daarmee kon volstaan, omdat voor de overlappende gebieden gold dat de concurrentie door het verbod op actieve en passieve acquisitie en later door het verbod op actieve acquisitie werd beperkt. Volgens [naam 1] is daarmee echter niet aangetoond (i) hoe groot die overlappende verzorgingsgebieden waren, (ii) hoeveel en welke klanten zich daarin bevonden (en - minstens zo belangrijk - hoeveel en welke klanten dus niet) en (iii) welk percentage van de tussen minimaal twee [naam 23] -franchisenemers betwistbare klanten concurrentiestelling organiseerde (en dus via passieve acquisitie betwistbaar was). [naam 1] heeft op haar beurt, onder overlegging van een rapport van RBB Economics, gemotiveerd onderbouwd dat sprake is van een biedmarkt, waarop ook zonder aanbesteding voldoende concurrentiestelling of dreiging van concurrentie bestaat, omdat zorginstellingen zich in de inkoop actief opstellen en actief prijzen vergelijken. Op een dergelijke markt is een verbod op enkel actieve acquisitie niet concreet geschikt om de mededinging te beperken. ACM heeft niet aangetoond dat dat wel het geval zou zijn, aldus [naam 1] .
Toshibaten grondslag liggen, zodat de rechtbank niet met een verwijzing naar dat arrest had kunnen volstaan, (ii) de bewijslast en de onderzoeksplicht van ACM conform de in
Cartes Bancairesgeformuleerde regels hadden moeten worden beoordeeld en het onderzoek van ACM daaraan niet voldoet, en (iii) de rayonafspraken slechts een onderdeel waren van de veel meer omvattende [naam 23] franchiseformule en in die context hadden moeten worden onderzocht en beoordeeld, hetgeen niet is gebeurd, waardoor ACM niet heeft aangetoond dat de rayonnering de concurrentie merkbaar heeft beperkt.
Toshiba, ECLI:EU:C:2015:427, ‘marginaal’ zijn in geval van een in artikel 101, eerste lid, van het VWEU genoemde categorie overeenkomst. Slechts indien geen sprake is van een dergelijke categorie of in geval van een atypische of complexe vorm van een overeenkomst zal de economische en juridische context diepgaander moeten worden onderzocht. ACM heeft gelet op de aard van de afspraken dan ook voldoende onderzoek gedaan. De [naam 23] -franchisenemers beoogden met de afspraak hun rayons te beschermen. Het contextonderzoek diende uitsluitend in kaart te brengen of deze concrete afspraak de mededinging in voldoende mate kon beperken. Daarvoor was voldoende dat ACM dat onderzoek deed waarmee een beeld werd verkregen van het voor de afspraken relevante concurrentieveld en de specifieke actoren binnen dat veld.
Cartes Bancairesen
Toshiba, in herinnering dat een overeenkomst slechts onder het verbod van artikel 6, eerste lid, van de Mw en artikel 101, eerste lid, van het VWEU valt, wanneer zij ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie sinds het arrest van 30 juni 1966, zaak 56/65,
LTM, ECLI:EU:C:1966:38, volgt uit het feit dat het hier gaat om alternatieve voorwaarden - hetgeen blijkt uit het voegwoord “of” - dat in de eerste plaats moet worden gelet op de strekking van de overeenkomst.
T-Mobile Netherlands,ECLI:EU:C:2009:343, overwegingen 28 en 30). Wat de kwalificatie van een praktijk als een beperking naar strekking betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen de goede werking van de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht (arrest van het Hof van Justitie van 16 juli 2015, zaak C‑172/14,
ING Pensii, ECLI:EU:C:2015:484, overweging 31). Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen worden geacht naar hun aard schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest
Cartes Bancaires, overweging 50).
Cartes Bancairesen
ING Pensii). Bij de beoordeling van de context moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten. Voorts hoeven de bedoelingen van partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een overeenkomst tussen ondernemingen of onderling afgestemde feitelijke gedraging beperkend is, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de rechter om rekening te houden met deze bedoelingen (zie voor toepassing van deze vaste rechtspraak in de jurisprudentie van het College bijvoorbeeld zijn uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:184).
Solvay Solexis/Commissie, ECLI:EU:C:2013:802, overweging 82), en van 4 september 2014, zaak C‑408/12 P,
YKK e.a./Commissie, ECLI:EU:C:2014:2153, overweging 26). Het Hof van Justitie heeft tevens overwogen dat overeenkomsten die een verdeling van markten beogen, op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 101, eerste lid, van het VWEU zijn verboden, aangezien een dergelijk doel niet kan worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarin de betrokken mededingingsverstorende gedragingen worden verricht (zie het arrest van 19 december 2013, zaken C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P,
Siemens e.a./Commissie, ECLI:EU:C:2013:866, overweging 218). Voor dergelijke overeenkomsten kan de analyse van de economische en juridische context van de praktijk dus worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking (arrest
Toshiba, overweging 29).
Toshibaeen onvergelijkbare zaak is, omdat het daar ging om op zichzelf staande marktverdelingsafspraken die niet waren ingebed in een bredere context van een legitieme samenwerking. In de onderhavige zaak moeten de marktverdelingsafspraken worden beoordeeld in de context van de verticale franchiseovereenkomsten en is aldus geen sprake van ‘naakte’ en horizontale mededingingsbeperkingen.
van [naam 9] , College] moeten informeren dat [naam 31] in ons rayon zonder toestemming / overleg bij onze klant op bezoek gaat. (Is overigens niet de eerste keer).”
van [naam 1] , College] heeft gezegd dat het ons Rayon is.
van [naam 9] , College]. Ik heb aangegeven dat ik niet van die afspraak weet en als dat zo is had Joop contact met mij opgenomen. (…)”
Toshiba, overweging 31). Dat betekent dat een overeenkomst die, zoals de afspraak, erop is gericht te voorkomen dat [naam 23] -franchisenemers in de hun toegewezen regio’s daadwerkelijke of potentiële concurrentie kan worden aangedaan door andere [naam 23] -franchisenemers, althans - vanaf 10 april 2002, toen het verbod op passieve acquisitie was komen te vervallen - ertoe dient dergelijke concurrentie te beperken, in staat is om de mededinging te beperken, tenzij er - vóór 10 april 2002 - onoverkomelijke toetredingsbarrières bestonden waardoor mogelijke concurrentie uitgesloten was of - na 10 april 2002 - zorginstellingen nagenoeg altijd iedere (potentiële) concurrent (dus steeds alle [naam 23] -franchisenemers) in de gelegenheid hebben gesteld om mee te dingen naar een te vergeven wasserij-contract.
Cartes Bancaires,overweging 49 e.v., en
ING Pensii, overweging 55). Gelet daarop komt aan de door [naam 1] en [naam 9] overgelegde rapporten van RBB Economics, die steunen op de constatering dat ACM geen effecten van de rayonneringsafspraken heeft aangetoond, niet de betekenis toe die zij daaraan hechten.
Verhuizingen Coppens, ECLI:EU:C:2012:778). Indien hieraan is voldaan, wordt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ook wel gesproken van een “enkele en complexe inbreuk” (arrest
Verhuizingen Coppens) of van een “enkele complexe en voortdurende inbreuk” (arrest van het Hof van Justitie van 4 juli 2013, zaak C-287/11 P,
Aalberts Industries, ECLI:EU:C:2013:445).
BASF, ECLI:EU:T:2007:380) en het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2013, zaken C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P,
Siemens e.a./Commissie, ECLI:EU:C:2013:866).
- verklaart het beroep van [naam 14] ongegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de aan [naam 14] opgelegde boete betreft en herroept het primaire besluit in zoverre;
- stelt de aan [naam 14] opgelegde boete vast op € 154.000,-;
- verklaart het beroep van [naam 8] gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de aan haar opgelegde boete betreft, herroept het primaire besluit in zoverre en bepaalt de hoogte van de aan [naam 8] opgelegde boete op € 1.398.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- draagt ACM op het betaalde griffierecht van € 831,- aan [naam 8] te vergoeden;
- veroordeelt ACM in de proceskosten van [naam 8] tot een bedrag van € 7.014,.