Appellante, een vennootschap onder firma, kreeg een randvoorwaardenkorting van 3% opgelegd op haar GLB-subsidies vanwege overschrijding van de stikstofgebruiksnorm in 2013, vastgesteld door de NVWA via een administratieve controle. Verweerder handhaafde deze korting na bezwaar en wijzigde het toepassingsjaar naar 2015. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit.
Het College oordeelde dat de controle en het rapport waarop verweerder zich baseerde voldoende waren, ondanks onduidelijkheid over de datum in het rapport en het ontbreken van een evaluatiegedeelte, wat niet verplicht is bij administratieve controles. Ook werd geoordeeld dat appellante terecht niet viel onder de derogatienorm vanwege het niet tijdig bemonsteren van percelen.
De randvoorwaardenkorting werd niet als dubbele bestraffing gezien naast de opgelegde boete, omdat deze korting geen punitieve sanctie is. Verder werd geen sprake geacht van schending van het evenredigheidsbeginsel, omdat de korting wettelijk is voorgeschreven en geen feiten of omstandigheden tot verlaging leidden.
Ten aanzien van de redelijke termijn werd vastgesteld dat de overschrijding gerechtvaardigd was door aanhoudingsverzoeken en instemming van appellante. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.