Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 april 2019 op het hoger beroep van:
Exportslachterij Clazing B.V. te Zevenhuizen, appellante
(gemachtigde: mr. E. Dans),
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, (de minister)
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
Uitspraak van de rechtbank
€ 3.000 omdat eiseres binnen vijf jaar eerder is beboet voor een soortgelijke overtreding op 10 april 2015. Voor het beboetbare feit C legt verweerder eiseres een boete op van € 1.500.
Eiseres voert aan dat sprake is van frequent toezicht door de NVWA op haar bedrijf, dat de overtredingen van de beboetbare feiten A, B en D als klasse D moeten worden gekwalificeerd, en dat daarom op grond van het Algemeen Interventiebeleid verweerder de eerste drie boetes niet mocht opleggen, maar eerst had moeten waarschuwen. Eiseres voert daarnaast aan dat de hoogte van de boetes onevenredig is, nu de gevolgen van de incidenten voor het dierenwelzijn afwezig althans gering waren. Ten slotte stelt eiseres dat geen sprake is van recidive op grond waarvan verweerder de boete voor het beboetbare feit A mocht verhogen. De eerder op 10 april 2015 opgelegde boete zag namelijk op een geheel andere overtreding en had niets te maken met het kantelen van de lades, aldus eiseres.
Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte een boete heeft opgelegd voor het beboetbare feit C, althans dat deze boete zou moeten worden gehalveerd. Twee ervaren medewerkers van eiseres hebben, toen bleek dat een klep niet geopend was, adequaat ingegrepen door de lade alsnog met de hand leeg te halen. Ze hebben ingegrepen zoals een medewerker mét een getuigschrift van vakbekwaamheid zou hebben gedaan. Sterker, als deze medewerkers niet hadden ingegrepen zou het iets verhoogde stressniveau bij de kuikens langer hebben aangehouden. Hetgeen is geconstateerd heeft geen gevolgen gehad voor het dierenwelzijn, aldus eiseres.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Appellante keert zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat het voldoende aannemelijk is dat de kuikens niet elke vorm van pijn, spanning of lijden bespaard is gebleven. Appellante betwist dat er sprake is van een overtreding van artikel 3 van Pro Verordening (EG) nr. 1099/2009. Appellante voert subsidiair aan dat de rechtbank ten onrechte de boetes niet heeft gematigd op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit handhaving), omdat de gevolgen voor het dierenwelzijn niet van enige betekenis, althans zeer gering waren en de toepassing van de recidivebepaling van artikel 2.5 van het Besluit handhaving in dit geval onevenredig is.