ECLI:NL:CBB:2019:157
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en rechtmatigheid lasten onder dwangsom opgelegd door De Nederlandsche Bank
In deze bestuursrechtelijke zaak stonden de door De Nederlandsche Bank (DNB) opgelegde lasten onder dwangsom en de daarop volgende invorderingsbesluiten centraal. Appellanten, twee B.V.'s, hadden niet tijdig voldaan aan inlichtingenvorderingen van DNB, waardoor dwangsommen werden opgelegd en vervolgens ingevorderd. Het College bevestigde dat DNB bevoegd was om deze lasten op te leggen op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
Appellanten voerden onder meer aan dat de gevorderde dienstroosters niet onder het prudentieel toezicht van DNB vielen en dat zij niet als financiële onderneming in de zin van de Wft konden worden aangemerkt. Ook stelden zij dat de gevorderde informatie niet kon worden verstrekt omdat de dienstroosters op een whiteboard werden bijgehouden en wekelijks werden gewist. Het College verwierp deze bezwaren en oordeelde dat DNB de gevraagde inlichtingen redelijkerwijs mocht vorderen voor haar toezichtstaak.
Wel constateerde het College een gebrekkige clausulering in de lasten onder dwangsom met betrekking tot de dienstroosters, omdat ontbrak dat het verstrekte materiaal uitsluitend voor toezichtdoeleinden mocht worden gebruikt en niet voor bestuurlijke beboeting of strafvervolging. Het College gaf DNB opdracht om bij nieuwe besluiten op bezwaar deze restrictie te overwegen en de lasten zo nodig aan te passen.
Ten aanzien van de invordering van de dwangsommen stelde het College dat het belang van invordering zwaarwegend is en dat appellanten geen bijzondere omstandigheden hadden aangevoerd om hiervan af te zien. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen van appellanten tegen de lasten onder dwangsom en invorderingsbesluiten van DNB worden ongegrond verklaard.