ECLI:NL:CBB:2019:298
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling en terugvordering EVF-subsidie door minister van LNV
Appellante, Stichting [naam 1], heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Visserij en Voedselkwaliteit inzake de vaststelling van een EVF-subsidie en de terugvordering van een deel daarvan. De subsidie was oorspronkelijk vastgesteld op €208.956,- met een terugvordering van €65.472,-, later gedeeltelijk herzien naar een subsidie van €244.613,- en een terugvordering van €29.815,-. Uiteindelijk stelde de minister de subsidie vast op €260.363,- met een terugvordering van €14.065,-.
Appellante voerde aan dat bepaalde kosten ten onrechte niet subsidiabel waren gesteld, waaronder diverse bedrijfskosten en kosten van het bestuur. Het College oordeelde dat de kosten die niet binnen het financiële kader van het subsidieverleningsbesluit vielen, terecht niet subsidiabel waren. Ook werd geoordeeld dat slechts 50% van de bestuurskosten subsidiabel kon worden gesteld vanwege onvoldoende sluitende verantwoording.
Het College concludeerde dat de minister de subsidie terecht had vastgesteld op €260.363,- en de terugvordering van €14.065,- correct was. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het College bepaalde dat het betaalde griffierecht van €333,- aan appellante werd vergoed vanwege een gebrek in het bestreden besluit dat in het wijzigingsbesluit was hersteld.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt vastgesteld op €260.363,- met een terugvordering van €14.065,-.