ECLI:NL:CBB:2019:349
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over herberekening bedrijfstoeslag 2014 en vergoeding overschrijding redelijke termijn
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de herberekening van zijn bedrijfstoeslag 2014, waarbij percelen 5 en 6 werden afgekeurd als niet-subsidiabele landbouwgrond op basis van luchtfoto’s die verruiging en begroeiing met pitrus en riet aantoonden. Verweerder handhaafde dit besluit, stellende dat deze percelen niet voldoen aan de definitie van landbouwgrond volgens Verordening 73/2009 en Verordening 1120/2009.
Appellant voerde aan dat de percelen wel degelijk landbouwkundig werden gebruikt en dat de luchtfoto’s slechts momentopnames zijn die niet representatief zijn. Ook stelde appellant dat de sanctie onredelijk was en dat het recht tot terugvordering was verjaard. Het College verwierp deze stellingen en oordeelde dat de percelen terecht als niet-subsidiabel zijn afgekeurd en dat de terugvordering binnen de wettelijke termijn is geschied.
Daarnaast constateerde het College een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 500,- en de proceskosten van appellant van € 512,-. Tevens werd het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant vergoed.
Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard, maar appellant kreeg een vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn en de proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de herberekening van de bedrijfstoeslag 2014 wordt ongegrond verklaard, maar appellant krijgt een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten toegekend.