ECLI:NL:CBB:2021:423
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling fosfaatrecht na bedrijfsverplaatsing en pachtontbinding
Appellant, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw tot vaststelling van zijn fosfaatrecht op basis van het aantal dieren en melkproductie op 2 juli 2015, nadat hij zijn bedrijf had moeten verplaatsen vanwege een beëindiging van de pachtovereenkomst. Hij stelde dat de knelgevallenregeling van de Meststoffenwet en het Uitvoeringsbesluit van toepassing waren vanwege de bedrijfsverplaatsing en het droogzetten van koeien, en dat de vastgestelde melkproductie niet representatief was, wat leidde tot een onevenredige last.
Het College oordeelde dat de bedrijfsverplaatsing en de gevolgen daarvan niet onder de knelgevallenregeling vallen, omdat deze regeling beperkt is tot specifieke omstandigheden zoals bouwwerkzaamheden of ziekte. Ook was er geen sprake van tijdelijk minder dieren door natuurgebiedrealisatie of infrastructuur, zoals vereist voor artikel 72a van het Uitvoeringsbesluit. De melkproductiegegevens waarop verweerder was uitgegaan, waren juist vastgesteld en het rollend jaargemiddelde was slechts indicatief.
Verder stelde het College vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hem legde. De beslissing om uit te breiden was een ondernemersbeslissing met inherent risico, en er was geen bedrijfseconomische noodzaak aangetoond. Het College vond het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen en wees het beroep af.
De uitspraak benadrukt dat niet ieder vermogensverlies door het fosfaatrechtenstelsel als buitensporige last geldt en dat de belangen van milieu en volksgezondheid zwaarder wegen dan de door appellant gestelde individuele nadelen.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot vaststelling van het fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.