ECLI:NL:CBB:2019:455
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Pavićević
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn en vaststelling landbouwgrond bij bedrijfstoeslag 2014
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot herberekening en terugvordering van de bedrijfstoeslag 2014. De kern van het geschil betrof de juiste vaststelling van de oppervlakte van enkele percelen landbouwgrond. De minister had enkele percelen afgekeurd omdat deze waren afgegraven en daarmee niet het gehele jaar als landbouwgrond konden worden aangemerkt.
Het College oordeelde dat de 90-dagenregel voor niet-landbouwactiviteiten niet van toepassing is indien de grond niet als landbouwgrond kan worden aangemerkt. De percelen 47, 48 en 49 voldeden niet aan de definitie van landbouwgrond vanwege graafwerkzaamheden en afgraving. De vaststelling van de oppervlakte van perceel 41 door de minister werd bevestigd op basis van luchtfoto’s.
Daarnaast stelde appellante dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep was overschreden. Het College stelde vast dat de totale termijn van twee jaar was overschreden en veroordeelde de minister tot betaling van een schadevergoeding van €500 wegens immateriële schade.
Het beroep werd inhoudelijk ongegrond verklaard, maar de minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. T. Pavićević namens het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 24 september 2019.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.