ECLI:NL:CBB:2019:614
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel en individuele last voor melkveehouder
Appellante, een melkveehouderij bestaande uit twee vennoten, bouwde een nieuwe stal geschikt voor 113 melkkoeien, die enkele maanden na de peildatum in gebruik werd genomen. Verweerder stelde het fosfaatrecht vast op basis van de situatie op 2 juli 2015, inclusief een generieke korting van 8,3% vanwege niet-grondgebondenheid.
Appellante voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel een onaanvaardbare inbreuk maakt op haar eigendomsrecht (artikel 1 EP Pro) en dat zij disproportioneel wordt getroffen omdat zij haar stal niet volledig kon benutten. Tevens stelde zij dat het stelsel niet voorzienbaar was en dat de generieke korting onrechtvaardig was.
Het College oordeelde dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 EP Pro en dat het onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven gerechtvaardigd is. Verder werd overwogen dat niet ieder vermogensverlies een buitensporige last vormt. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat haar last buitensporig was, mede omdat zij de stal bouwde in een periode waarin productiebeperkende maatregelen voorzienbaar waren.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd was, werd dit gebrek gepasseerd omdat appellante hierdoor niet benadeeld was. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het fosfaatrechtenbesluit wordt ongegrond verklaard.