ECLI:NL:CBB:2019:368
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht en generieke korting in fosfaatrechtenstelsel afgewezen
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij het fosfaatrecht op haar bedrijf werd vastgesteld op 2.677 kg met een generieke korting van 8,3%. Zij voerde aan dat het fosfaatrechtenstelsel een onrechtmatige inbreuk op haar eigendomsrecht oplevert en dat bij de bepaling van het fosfaatrecht geen rekening is gehouden met bedrijfsspecifieke omstandigheden zoals dierziekte en de bedrijfsspecifieke excretie (BEX).
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor een hogere melkproductie in 2015 en dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de knelgevallenregeling. Tevens werd bevestigd dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP).
Verder werd geoordeeld dat het niet in rekening brengen van BEX-waarden een bewuste beleidskeuze van de wetgever is. Het beroep op een individuele en buitensporige last werd verworpen omdat appellante haar bedrijf bewust had uitgebreid en de financiële gevolgen voor haar rekening komen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht en de generieke korting wordt ongegrond verklaard.