Appellante, Stichting een Dier een Vriend, verzocht handhavend op te treden tegen misleidende etikettering van zuivelproducten die als plantaardig worden verkocht maar koemelk bevatten. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en de rechtbank Den Haag verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante geen belanghebbende zou zijn.
Het College van Beroep stelt vast dat de rechtbank Den Haag onbevoegd was en dat de rechtbank Rotterdam exclusief bevoegd is. Daarnaast oordeelt het College dat appellante wel belanghebbende is omdat zij krachtens haar statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang behartigt.
Het College vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en beveelt de minister binnen tien weken een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt het College de minister in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.