ECLI:NL:CBB:2020:433
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op startersregeling fosfaatrechten wegens ontbreken vergunning voor 2 juli 2015
Appellant exploiteert sinds april 2015 een biologisch melkveebedrijf op een locatie waar tot februari 2015 een ander melkveebedrijf actief was. Hij voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarbij zijn fosfaatrecht werd vastgesteld op basis van de veestapel op 2 juli 2015. Appellant stelde dat hij een nieuw gestart bedrijf voert en daarom recht heeft op de startersregeling, en dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor hem vormt.
Het College overwoog dat de wettelijke definitie van een nieuw gestart bedrijf vereist dat de landbouwer vóór 2 juli 2015 een omgevingsvergunning heeft gekregen of een melding heeft gedaan voor het oprichten van een melkveebedrijf. Appellant beschikte niet over een eigen vergunning of melding voor die datum, maar maakte gebruik van vergunningen die aan de vorige exploitant waren verleend. Daarom voldoet hij niet aan de startersregeling.
Verder concludeerde het College dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last voor hem oplevert. De bezwaren tegen de hoogte van het fosfaatrecht zijn materieel beoordeeld, maar het beroep faalt op beide gronden.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 30 juni 2020.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen nieuw gestart bedrijf is en geen individuele en buitensporige last heeft aangetoond.