ECLI:NL:CBB:2020:446
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fosfaatrechtenstelsel voor biologische melkveehouders en proceskostenveroordeling
Appellante, een biologische melkveehouder, voerde beroep aan tegen het vastgestelde fosfaatrecht en het niet-ontvankelijk verklaarde bezwaar. Zij stelde dat het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met Europese verordeningen en het recht op eigendom, en dat zij door het stelsel niet kon groeien naar de stalcapaciteit van 67 melkkoeien. Verweerder stelde dat het stelsel ook voor biologische veehouders geldt en dat appellante geen concrete feiten of bewijs had aangeleverd ter onderbouwing van haar bezwaren.
Het College oordeelde dat appellante onvoldoende heeft geconcretiseerd op welke wijze het fosfaatrechtenstelsel in strijd is met de genoemde Europese regelgeving en dat algemene verwijzingen naar schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet voldoen. Het College bevestigde eerdere uitspraken dat het fosfaatrechtenstelsel verenigbaar is met het recht op eigendom en dat biologische melkveehouders onder het stelsel vallen.
Verder faalde het beroep dat het stelsel een buitensporige last voor appellante zou vormen, mede omdat zij geen bewijs leverde van een pachtovereenkomst voor extra landbouwgrond in 2015. Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd daarom ongegrond verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht werd terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het vervangingsbesluit ongegrond; verweerder is veroordeeld in de proceskosten van appellante.